Met broden is het soms net als met mensen … luister maar!
Er zaten eens verschillende broden aan tafel.
Ik ben een zondagskind, zei Puntbroodje.
Ik lig op tafel als mensen feestvieren. Als de mensen mij zien, dan zijn ze blij. Nee hoor, in de week zien ze me niet. Dan heb ik vrijaf. Dan is er geen feest. In ben een feestbroodje, en dat vind ik prima!
En ik zorg voor het dagelijks brood op tafel, zei Volkorenbrood.
Als ik er niet zou zijn, zouden de mensen alle dagen honger lijden. Ze zouden niet kunnen werken. Als kinderen me niet zouden eten, zouden ze niet sterk worden en niet kunnen spelen. Ja, mij heeft iedereen heel hard nodig, en dat vind ik prima!
Ook Krentenbrood mengde zich in het gesprek.
Kijk toch eens hoe mooi ik ben. Ik heb een glanzende huid. En ik heb méér dan jullie allemaal. Ik ben brood en krenten tegelijk. Mij vinden de mensen het lekkerst. Dat vind ik prima!
Maar een brood als ik, pochte Stokbrood, is heel bijzonder.
Ik ben lang en slank. Jullie zijn dik en rond. Nee hoor, ik ben geen echt Vlaams brood. Ik kom uit een vreemd land. De mensen van hier eten mij op vakantie. Ze kopen mij als er feest is. En dat vind ik prima!
Soms zeggen de mensen dat er in mij helemaal niets zit, kwam Wittebrood tussenbeide.
Ze zeggen dat ze van mij weer snel honger krijgen. Maar toch heb ik veel vrienden. Ze laten me niet op de plank liggen! En dat vind ik prima!
Puntbroodje vond al dat gepraat maar niets.
Moet je horen, ik ben het lekkerst, en van mij worden ze sterk. Belachelijk gewoon. Jij Krentenbrood, jij bent zo lelijk als de nacht. Jij met al je krentenbobbels. En jij Volkorenbrood, jij ziet er maar vies uit. Jij met je vieze grijze pitjeshuid. En jij stokbrood, lange pier, je kunt niet eens in een normale broodtrommel. Je hoort hier niet thuis. Op zondag maak ik de dienst uit op tafel.
Alle broden werden erg boos over die verwaande kletspraat van Puntbrood, maar er waren nóg twee bijzondere broden die iets wilden zeggen.
Ik ben het brood van het Joodse volk, sprak Matzebrood.
Ik ben niet mooi, kijk maar. Ik ben plat en droog en dun. De Joodse mensen hebben mij gemaakt voor onderweg. Toen ze weg moesten vluchten uit Egypte. In mij zit geen gist. Ik heb niet zulke gistbuikjes als jullie. Daarom bederf ik niet. Ik doe de mensen terugdenken aan God, die liefdevol is en de mensen aanspoort dankbaar, liefdevol en rechtvaardig te zijn voor allen. Vooral voor de armen, weduwen en wezen. Het is toch niet belangrijk of je mooi, lang of lekker bent. Je moet er gewoon zijn, als mensen je nodig hebben. En het geeft niet hoe. Ook in het gezin van Nazaret waar Jezus opgroeide, lag ik, Matzebrood, op tafel. Als Jozef mij in zijn handen nam om mij te breken en te delen bad hij: “Wij danken U, Vader, Heer van hemel en aarde, voor het schone land waarop wij mogen wonen, voor het graan dat groeit onder uw gezegende hand, voor het brood dat Gij ons geeft om van te leven.” Dit breken van het brood bij de maaltijd, zei Matzebrood nog, zal later in het leven van Jezus grote betekenis krijgen. Het leek wel alsof de broden onder elkaar onder de indruk van het Matzebrood geraakten. Geen van hen kon zo’n mooie geschiedenis vertellen.
Maar er was nog een brood dat iets wilde zeggen.
Luister maar: En ik, ik ben het brood van het christelijk volk. Mij noemen ze Communiebrood. Ze noemen me ook wel Hostiebrood. Ik zie er erg dun uit, en gewoonlijk ben ik nog klein ook. Eigenlijk heb ik heel wat gemeen met Matzebrood van het Joodse volk. Je vindt mij op een speciale tafel, een altaartafel, vooraan in de kerk. Daar doen de christenen wat Jezus op die laatste avond, vlak voor zijn kruisdood en verrijzenis, heeft gedaan: Jezus nam het brood, brak het en verdeelde het onder zijn leerlingen en zei: “Dit is Mijn Lichaam, gebroken voor u. Doe dit tot mijn gedachtenis”. Zo liet Jezus ook de beker met wijn rondgaan. “Dit is Mijn Bloed” zei Hij, “voor jullie vergoten”. Rond het Communiebrood en de Beker met wijn op de altaartafel komen de leerlingen en vrienden van Jezus ’s zondags samen in de kerk en gaan te communie. De priester verdeelt mij als kleine hosties aan de aanwezigen in de kerk. Als ze mij, Communiebrood, nuttigen, herdenken zij Jezus. Als ze te communie gaan en Mij, Hostiebrood, eten, voelen ze zich met Jezus verbonden. Dan ontvangen zij kracht om te leven zoals Jezus deed. Ik, Communiebrood, ben écht het levende brood, dat volop doet leven, vandaag en over de dood heen.
Toen werd het héél stil onder de broden.
Vooral Puntbroodje schaamde zich een beetje. En de andere broden zeiden: wat zijn wij ijdeltuiten! Zeker, wij zijn broden en brood stilt onze lichamelijke honger. En wij zijn God daar dankbaar voor. Maar vergeten we toch niet dat er ook brood is dat de honger van ons hart stilt: het Communiebrood van de christenen.
Tekst komt uit een al lang vergeten parochieblad. Waarvoor een archief goed voor is!
Fernand