AFSCHEID VAN PRIESTER PAUL | Kerknet
Overslaan en naar de inhoud gaan

Recent bezocht

Bekijk je recent bezochte microsites, auteurs en thema's
kerknet
  • Hulp
  • Startpagina portaal
  • Mijn parochie
  • Aanmelden of registreren
Menu
  • Startpagina
  • Kerk
  • Vieringen
  • Shop
  • Zoeken
H. Petrus en Paulus Parochie in Gent-Zuid

H. Petrus en Paulus Parochie in Gent-Zuid

  • Startpagina
  • Contacten
  • Kerken & vieringen
  • Zoeken
  • Meer
    • Kerken & vieringen
    • Zoeken
    • "Online offerkaars branden" Bidden voor elkaar en voor onze nabestaanden Onze privacyverklaring Aanvragen misintenties Kerken in Gent-Zuid Aanvragen doopsel Aanvragen vormsel Aanvragen huwelijk Bisdom Gent Dekenaat Gent Clemenspoort

AFSCHEID VAN PRIESTER PAUL

icon-icon-auteur
Gepubliceerd op maandag 5 juli 2021 - 11:10
Afdrukken

Naar aanleiding van zijn emeritaat was priester Paul Van Puyenbroeck graag bereid voor een gesprek waarin hij terugblikt op zijn leven, zijn geloof, zijn priesterschap. Het is een boeiend verhaal in een context van grote maatschappelijk-culturele veranderingen. Zijn aanstelling in de Sint-Niklaas parochie in 2015 was voor hem als een heel mooi geschenk. Dit lees je verderop in dit interview. 

Vooraf: enkele korte personalia uit het gezin

Geboren op 17 januari 1945 in Hamme ben ik opgegroeid in een gezin met 11 kinderen (6 meisjes en 5 jongens) waarvan ik de negende was. Zeven zijn gehuwd en hebben een gezin gesticht. Twee broers en een zus werden missionaris in Afrika. Ikzelf werd priester gewijd voor het bisdom Gent op 31 augustus 1968. Mijn vader stierf op 51-jarige leeftijd in 1958 toen wij nog allen “thuis” waren; moeder werd 75 jaar en overleed in 1980. Twee van mijn broers zijn inmiddels overleden: Carlos (pater scheutist) in 1999 en Freddy in 2015. 

Hoe is je roeping tot priester verlopen? Hoe ben je tot je ‘ja-woord’ gekomen?

Mijn keuze om priester te worden is beïnvloed door diverse factoren. Mijn ouders waren gelovig en parochiaal verbonden op de wijze die in de jaren vóór en kort na Wereldoorlog II nog vrij algemeen was. Ons gezin leefde sterk mee met mijn oom Jan, de jongste broer van mijn vader die als scheutist in Congo werkzaam was. Twee van mijn broers zijn hem gevolgd naar Scheut en naar Congo. Een zus trad eveneens binnen in een missiecongregatie (De Jacht) en ging naar Burundi. Zelf schrok ik ervoor terug mijn heimat en familie te verlaten. Ik vond wel inspiratie in het voorbeeld van sommige priester-leraars en onderpastoors, in de jeugdbeweging (Chiro) en de speelpleinwerking. In het internaat van het college mocht ik als misdienaar en koster dicht bij het altaar komen. Naast het priesterschap heb ik ook nog even overwogen of ik niet leraar biologie of aardrijkskunde zou worden en een gezin zou stichten. Evenwel ben ik dadelijk na mijn humaniora op 17-jarige leeftijd aanvaard voor de priesteropleiding in het Sint-Paulusseminarie van Mariakerke (toen nog Drongen). Daar leerden we dat onze ‘keuze’ voor die richting eigenlijk gezien en beleefd moest worden als een ‘roeping’ door Christus en voor de mensen. 

In mijn verder leven heb ik begrepen dat je niet eens en voorgoed een roeping volgt, maar dat die zich blijft herhalen, dag na dag, onder steeds nieuwe omstandigheden. De mensen die je ontmoet, de samenleving die verandert, de moeilijkheden die je zelf doormaakt of met anderen deelt, maken dat Christus je nieuwe dingen vraagt en leert. 

Wat betekent voor jou “geloven”, “geloof”? Hoe is dit geëvolueerd in je leven? Ben je een andere gelovige / priester nu, dan pakweg 50 jaar geleden?

In mijn kindertijd stond voor mij alles in een gelovig, christelijk perspectief. God bestond, vermits mijn vader en mijn moeder mij dagelijks zegenden in zijn naam. Kerstmis werd thuis gevierd als een grootscheeps hoogfeest waar we maanden vooraf naartoe leefden. De zondagsmis en het lof in de meimaand lieten mooie en diepe sporen achter in mijn geheugen. De parochiale catechese was nog ‘catechismus’ en de godsdienstles in het middelbaar onderwijs was nog ten dele ‘apologie’ (geloofsverdediging tegen de ketters). Daar kwam snel verandering in tijdens mijn priesteropleiding die samenviel met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). De kerk opende zich naar de moderne wereld. Het theologisch denken werd geconfronteerd met de ‘secularisatie’. De Rooms-Katholieke Kerk omarmde de orthodoxe en protestantse zusterkerken en toonde respect voor de andere godsdiensten. Het waren boeiende jaren om dat allemaal van nabij te beleven. Tegelijk was het een heilzame beproeving voor het al te dogmatisch geloof. 

Doorheen de jaren werd mijn geloof tegelijk eenvoudiger en dieper. Geloven betekent niet: veel weten over God en zijn hemel. Geloof is veeleer een levenshouding. Je vertrouwt erop dat het leven een geschenk is, dat de wereld een diepe zin heeft. Wij kunnen God slechts oprecht beminnen als we onze medemensen in de ogen zien als broeders en zusters. Dit is de kern van wat Jezus ons voorleefde. Hij durfde God ‘zijn Vader’ noemen en leerde ons dat ook te zeggen: ‘onze Vader’. Dit is de werking van de Geest en dit is de beleving bij veel meer mensen dan de zichtbare kerk.

Wat maakt(e) je gelukkig – als mens, in je priesterschap?

Alle mensen zoeken liefde, geborgenheid, verbondenheid. Ze doen dat doorgaans met een partner en in een gezin. Mijn ervaring is dat je ook als celibatair een sterke en gelukkig makende verbondenheid kunt beleven. In de loop van al die jaren als priester zochten (en zoeken) veel mensen bij mij een luisterend oor, namen (en nemen) mij in vertrouwen. Met de meesten van hen ben je maar een tijd lang tochtgenoot. Sommigen worden en blijven goede vrienden. Misschien is het dat wel wat mij gelukkig maakt als mens en als priester: met mensen het leven (lief en leed) en de vriendschap mogen delen. In het bijzonder kan je als priester gelukkig worden wanneer je ook je geloof moogt delen. Wanneer je mensen kunt doen groeien in hun vertrouwen, ze kunt bemoedigen in hun engagement, in de ‘roeping’ van hun gezinsleven of in hun toewijding als religieuze. Ik kan heel gelukkig zijn aan het einde van een gesprek wanneer ik met iemand samen kan bidden. En natuurlijk staat als een grote boog over dat alles heen gespannen de verbondenheid met Jezus en zijn/onze Vader. Elke eucharistie die ik in naam van de gemeenschap mag voorgaan maakt mij heel gelukkig, zeker wanneer ik voel dat heel de gemeenschap mee celebreert.

Hoe kijk je terug op je ‘loopbaan’, de aanstellingen en opdrachten. Zijn de verwachtingen die je toen had ingelost?

Voor alle duidelijkheid: mijn ‘loopbaan’ heb ik niet zelf gepland. Buiten de algemene verwachting om ‘priester’ te mogen worden (eerst wat bij jonge mensen in het onderwijs en dan in een parochie) had ik geen enkele ambitie. De concrete invulling kwam gewoon op mij af. Tot op vandaag is dit nog steeds zo. Na mijn studies heb ik verschillende opdrachten vervuld in het onderwijs en als onderpastoor. In 1992 werd ik door bisschop Arthur Luysterman benoemd tot bisschoppelijk vicaris en daarna tot vicaris-generaal. Bij de komst van bisschop Luc Van Looy werd die opdracht verlengd.

Wat mij het meest boeide in al die jobs waren de contacten. In het begin meer met jonge mensen (seminaristen en normalisten in opleiding), daarna meer met de parochiepriesters, parochieassistenten en de parochieploegen van ons bisdom. 

De meer administratieve en bestuurlijke taken lagen mij minder, zeker in deze tijd van structurele ombouw van het parochielandschap. Een en ander is niet zomaar het gevolg van “priestertekort”. Dat laatste is zelf het gevolg van de hele omslag in onze cultuur die seculier geworden is. Dit was al meteen voelbaar in de nadagen van het Tweede Vatikaans Concilie. Toch ben ik ervan overtuigd dat het ernstig nemen van de secularisatie een heilzame beproeving is om ons geloof te herbronnen en te vernieuwen tot een missionaire kerk. 

We moeten vaststellen dat in onze tijd veel mensen de kerk de rug toe keren. Een aantal staan er gewoon onverschillig tegenover. Anderen vinden dat de kerk een voorbijgestreefd bijgeloof koestert en met een achterhaalde moraal de vrijheid beknot. Nog anderen zijn ontgoocheld in haar zwak getuigenis of in haar klerikale zelfgenoegzaamheid. Een dieptepunt was het schandaal van het seksueel misbruik door vertegenwoordigers van de kerk, wat haar geloofwaardigheid nog verder heeft aangetast. Ook hier geldt dat “de waarheid ons zal vrij maken”. Voor de eerlijk zoekende mensen (en die zijn talrijk) dient de kerk op haar plaats te worden gezet in de dubbele betekenis van het woord: als terechtwijzing  (zo kan het niet verder), maar ook als uitdaging om, doorheen bekering en vernieuwing, haar geëigende plaats te zoeken in de samenleving, als sacrament voor de wereld. 

Toch kan ik na al die jaren rustig zeggen dat ik gelukkig ben als christen en als priester. Mijn enige spijt is dat ik naar mijn gevoel veel meer gekregen heb dan ik zelf heb kunnen geven. 

Welke zijn je hobby(s) – of heeft een priester daar geen tijd voor?

Ik geniet van het samenzijn met familie en vrienden. Maar ik kan ook genieten van het alleen zijn in de ‘cel’ van mijn zolderappartement, om er mijn ‘huiswerk’ te doen, te bidden, te lezen, soms met klassieke muziek op de achtergrond. Bovendien kan ik niet zonder een jaarlijkse week retraite in de trappistenabdij van Chimay. Maar als echte hobby zou ik noemen: de natuur, met bijzondere aandacht voor de inlandse flora en de waterkant.

Wat betekent de “Zwijnaardse periode” voor jou? Hoe kijk je daarnaar terug? Welke ervaringen koester je?

De aanstelling als parochie-administrator in Zwijnaarde (1 juli 2015) heb ik ervaren als een heel mooi geschenk. Ik trof er zoveel dingen aan die mij ‘meevielen’. Vooreerst: ik moest de parochie niet ‘leiden’: ze was in goede handen van de diaken en van velen die zonder complimenten of geldingsdrang het hunne bijdroegen voor de gemeenschap. De liturgie, ‘bron en hoogtepunt’ van het leven van de parochie, is uitermate goed verzorgd. Aan kinderen (en hun ouders) wordt met grote inzet catechese gegeven. Het verenigingsleven brengt vele mensen samen in vriendschap en gedeelde zorg: ook in coronatijd bleven de begeleiders actief zorg dragen voor hun leden. Enzovoort… Het is voelbaar tot op vandaag dat mijn voorgangers als pastoor hier goed gezaaid hebben. Het moge verder vruchten dragen. Al beseffen we allemaal dat Zwijnaarde, met zijn oude landelijke kern en dorpsgemeenschap, al lang is uitgegroeid tot een nieuwe, geseculariseerde stadswijk in volle expansie. 

Ik hoop dat de geloofsgemeenschap rond de Sint-Niklaaskerk, in goede samenwerking met de grote parochie van Gent-Zuid, het missionaire elan van de grote apostelen Petrus en Paulus zal vinden om in deze stad en deze tijden het evangelie uit te stralen, “desnoods met woorden” (H.Franciscus). Ikzelf zal Zwijnaarde missen, maar verlaat het met de beste herinneringen en met groot vertrouwen.

Wat betekent je emeritaat voor jou, hoe voel je je daarbij? Hoe zie je de toekomst tegemoet?

Mijn ‘emeritaat’ kan ik zien als een normale gang, wanneer men de kans gekregen heeft, voldoende lang te leven en te werken. Wat meer rust is nodig en welkom. Meer tijd ook voor mezelf: om dingen op te ruimen, in te halen, af te ronden, eventueel nog te herstellen waar dat nodig is en kan. Intussen lopen een aantal engagementen verder. Ik denk aan begeleidende contacten met individuele personen en gemeenschappen. Ik denk ook aan mijn grote familie die samen met mij ouder wordt (en ziek). Ook ervaar ik, wat ik in het begin al zei, dat mijn ‘roeping’ verder gaat en nieuwe aspecten krijgt. Zo werd ik, ongevraagd van mijn kant, uitgenodigd om nog dienst te bewijzen aan een Woonzorgcentrum in Zaffelare. Ik ken dat huis omwille van mijn band met de zusters van Liefde en mijn vriendschap met de priester die er tot zijn dood aalmoezenier was.

Hoe zie ik de toekomst?  De toekomst van de wereld en de samenleving is onzeker en baart mij zorgen. Zij heeft het evangelie, en dus de kerk, nodig “om heil en genezing te vinden”. Ook een kleine kerk kan veel betekenen voor de wereld, als ze niet te veel met zichzelf bezig is maar met de mensen en de samenleving. De kerk(gemeenschap) dient de echte toekomst en  haar uitdagingen voor te bereiden en niet het verleden te bewaren.

Hoe zie ik mijn eigen toekomst? 

Ik zou graag nog wat blijven (be-)leven, al denk ik vaak aan de dood die komen zal. Zonder te weten wanneer en waar en hoe, troost mij het vertrouwen “dat ik niet dieper kan vallen dan in de hand van God” (Klein Danklied van Ad den Besten). En die hand is, naar een gezegde van Toon Hermans, de veiligste plaats van het heelal. 

Luc Bouckaert

 

 

Gepubliceerd door

H. Petrus en Paulus Parochie in Gent-Zuid

Meer

Personalia

Deel dit artikel

Deel op Facebook
Deel op Twitter
Deel via e-mail

Recent bezocht

Bekijk je recent bezochte microsites, auteurs en thema's
© 2026 Kerk en Media vzw
Vacatures
Contact
Voorwaarden
YouTube
Twitter
Facebook