Ik geef een aantal passages uit de verklaring van paus Leo XIV die toch wel essentieel zijn:
De Geloofsbelijdenis van Nicea begint met het belijden van het geloof in God, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.
Vandaag de dag hebben God en de vraag naar God voor veel mensen bijna geen betekenis meer in het leven. Het Tweede Vaticaans Concilie benadrukte dat christenen op zijn minst gedeeltelijk verantwoordelijk zijn voor deze situatie, omdat zij niet getuigen van het ware geloof en het ware gezicht van God verbergen door levensstijlen en handelingen die ver van het Evangelie afstaan. Er zijn oorlogen gevoerd, mensen zijn gedood, vervolgd en gediscrimineerd in de naam van God. In plaats van een barmhartige God te verkondigen, hebben mensen gesproken over een wraakzuchtige God die terreur zaait en straft.
De Geloofsbelijdenis van Nicea nodigt ons uit om ons geweten te onderzoeken. Wat betekent God voor mij en hoe getuig ik van mijn geloof in Hem?
Is de enige echte God de Heer van het leven of zijn afgoden belangrijker dan God en zijn geboden? Is God voor mij de levende God, dicht bij mij in elke situatie, de Vader tot wie ik mij met kinderlijk vertrouwen wend? Is Hij de Schepper aan wie ik alles te danken heb wat ik ben en wat ik heb, degene wiens sporen ik in elk schepsel kan vinden? Ben ik bereid om de goederen van de aarde, die van iedereen zijn, eerlijk en rechtvaardig te verdelen? Hoe behandel ik de schepping, die het werk van mijn handen is? Gebruik ik haar met eerbied en dankbaarheid, of buit ik haar uit en vernietig ik haar, in plaats van haar te bewaren en te cultiveren als het gemeenschappelijke huis van de mensheid?
De kern van de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel is de geloofsbelijdenis in Jezus Christus, onze Heer en God. Dit is het hart van ons christelijk leven.
Daarom verplichten we onszelf om Jezus te volgen als Meester, metgezel, broeder en vriend. Maar de geloofsbelijdenis van Nicea vraagt meer: het herinnert ons eraan niet te vergeten dat Jezus Christus de Heer (Kyrios) is, de Zoon van de levende God, die ‘voor ons heil uit de hemel is neergedaald’ en ‘voor ons’ aan het kruis is gestorven, en de weg naar nieuw leven heeft geopend door zijn opstanding en hemelvaart. Het volgen van de Heer leidt ons langs de weg van het kruis, die ons door berouw leidt naar heiliging en goddelijkheid.
Als God ons liefheeft met heel zijn wezen, dan moeten wij ook elkaar liefhebben.
We kunnen God, die we niet zien, niet liefhebben zonder ook de broeder en zuster lief te hebben die we wel zien (vgl. 1 Joh. 4, 20). Liefde voor God zonder liefde voor de naaste is huichelarij. In de voetsporen van Jezus houdt het opklimmen naar God in dat we afdalen en ons toewijden aan onze broeders en zusters, vooral de minstbedeelden, de armsten, de verlatenen en de gemarginaliseerden.