Lezingen: Jesaja 45,1.4-6 – 1 Tessalonicenzen 1,1-5b – Matteüs 22,15-21
Thema: Geef aan God wat God toekomt
Beste broeders en zusters,
Op deze negenentwintigste zondag door het jaar nodigen de Schriftlezingen ons uit om stil te staan bij een belangrijke vraag: welke plaats geven wij aan God in ons dagelijks leven? We leven immers in een wereld waarin heel wat van ons wordt verwacht. We hebben verantwoordelijkheden tegenover onze familie, onze samenleving en de mensen rondom ons. Maar midden in al die verplichtingen mogen we niet vergeten aan wie wij uiteindelijk ons leven te danken hebben.
In de eerste lezing horen we hoe God de Perzische koning Cyrus aanspreekt. Opmerkelijk is dat Cyrus zelf niet tot het volk van Israël behoort. Toch kiest God hem uit om zijn bevrijdende plannen waar te maken. Daarmee maakt de profeet Jesaja duidelijk dat Gods werkzaamheid niet beperkt blijft tot één volk of één gemeenschap. God kan ook mensen die Hem niet kennen inschakelen om het goede tot stand te brengen. Zijn liefde en zorg reiken verder dan onze menselijke grenzen.
Ook vandaag mogen wij daarin een uitnodiging herkennen. God werkt soms langs onverwachte wegen en door mensen van wie wij het misschien niet onmiddellijk verwachten. Het komt erop aan open te staan voor zijn aanwezigheid en zijn werking te herkennen in het goede dat rondom ons gebeurt.
In de tweede lezing richt Paulus zich tot de christenen van Tessalonica. Hij dankt God voor hun geloof, hun liefdevolle inzet en hun volhardende hoop. Het zijn drie woorden die ook voor ons christelijk leven van grote betekenis zijn: geloof, liefde en hoop. Geloof dat ons vertrouwen geeft, liefde die zichtbaar wordt in onze zorg voor anderen en hoop die ons staande houdt, ook wanneer het leven moeilijk wordt.
Paulus herinnert ons eraan dat geloven meer is dan mooie woorden spreken. Ons geloof moet zichtbaar worden in wat wij doen, in de aandacht die wij schenken aan mensen die het moeilijk hebben, in onze bereidheid om te luisteren, te helpen en elkaar nabij te zijn.
In het evangelie proberen de farizeeën Jezus in de val te lokken met een vraag over het betalen van belasting aan de keizer. Het lijkt een eenvoudige vraag, maar welke keuze Jezus ook maakt, zijn tegenstanders hopen Hem daarop te kunnen aanvallen.
Jezus doorziet hun bedoelingen. Hij vraagt hun een muntstuk te tonen en stelt de vraag van wie de afbeelding en het opschrift zijn. Wanneer zij antwoorden dat het om de keizer gaat, zegt Jezus: ‘Geef dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.’
Met dit antwoord gaat Jezus veel verder dan een uitspraak over belastingen. Hij herinnert ons eraan dat wij onze plaats hebben in de samenleving, met de rechten en plichten die daarbij horen. Maar tegelijk behoren wij ten diepste aan God toe. Zoals de munt de afbeelding van de keizer draagt, zo draagt iedere mens het beeld van God in zich.
Dat is misschien wel de belangrijkste boodschap van deze zondag. Wij mogen onze maatschappelijke verantwoordelijkheden ernstig nemen, maar ons hart, ons geweten en ons diepste vertrouwen mogen wij aan God toevertrouwen.
Ook binnen onze geloofsgemeenschap krijgt deze boodschap een bijzondere betekenis. Telkens wanneer mensen zich vrijwillig inzetten, zieken bezoeken, zorg dragen voor eenzame mensen, meewerken aan onze vieringen of een luisterend oor bieden, geven zij op hun eigen manier aan God wat Hem toekomt. Zij maken zijn liefde zichtbaar in onze wereld.
Mogen deze lezingen ons vandaag aansporen om ons geloof niet alleen met woorden te belijden, maar vooral met ons leven te getuigen. Laten wij onze verantwoordelijkheden opnemen met een open hart, gedragen door geloof, hoop en liefde, en daarbij nooit vergeten dat wij allen kinderen van dezelfde God zijn.
Amen.