Kom, heilige Geest!
'Ik ben zou eenzaam zonder jou…', zong de keizer van het Vlaamse lied, onze eigenste Will Tura al enkele decennia terug en raar maar waar: nog steeds blijft zijn lied het doen op allerlei familiefeestjes en dansgelegenheden. 'Zelfs onder vrienden,' bekent Will Tura hopeloos 'kan ik het niet vinden'. Dat dit lied zo immens populair blijft en nog steeds uit volle borst wordt meegezongen, verwondert mij niet. Je hoeft geen liefdesverdriet te hebben om te verstaan wat hij bedoelt. 'Vertel het aan geen mensen,' zegt de dichter Hans Andreüs 'hoe veel ik van je hou, want geen van hen zou het ooit kunnen geloven.' Soms kan het overlijden van een geliefde vriend of partner, het vertrek naar het buitenland van een schoolvriend of vriendin zoveel leegte en verdriet in je hart ontketenen dat je het inderdaad aan geen mens kan vertellen. Dan blijf je zoals Jezus’ leerlingen verweesd achter. En dan mogen de omstanders van de rouwende mens heel de wereld verzetten en met jou naar het sportpaleis in Antwerpen trekken: te midden van die duizenden mensen zal je je nog steeds eenzaam en verweesd voelen. Ja, alleen geliefden kan je ooit missen, en pas wanneer je iemand echt waarlijk mist, weet je hoe veel je van hem of haar houdt…
Vanuit deze ervaringen, broeders en zusters in Christus, kunnen we een vermoeden krijgen van wat er omging in het hart van de eerste leerlingen kort na zijn dood en verrijzenis. Maar te midden van al hun groot verdriet en oprecht gemis is het Jezus zelf die onomwonden troost en zegt dat op zijn gebed God zelf hen een andere Helper zal schenken, namelijk de heilige Geest. Naarmate Hemelvaart en Pinksteren dichterbij komen voelen we ook in de liturgie dat met Jezus’ opstanding de kous niet af is: Hijzelf zal hen een Helper sturen, de heilige Geest die bij hen, sterker nog, in hen zal blijven. Niet als een kostbaar kleinood, een laatste herinnering, een knuffel als herinnering naar wat is geweest, maar wel als een bron ten leven, als een helper die ook hen steeds weer uit de dood zal doen opstaan. Gods Geest zal op Jezus’ verzoek en bevel het leven van de verweesde leerlingen vervullen met liefde en kracht opdat ze zelf in Jezus’ voetstappen zouden treden en zijn geboden zouden onderhouden. Want precies daaruit zal af te leiden zijn hoe innig ze van Jezus houden: in de mate dat ze werkelijk doen wat Hem behaagd, pleziert, gelukkig maakt. Want ook dat is blijkbaar in Jezus geloven en van Hem houden: zijn geboden in praktijk brengen, niet als een plicht waar je nu eenmaal niet onderuit kan, maar als een dankbaar antwoord op het geschenk van Jezus’ liefdesaanbod.
Christen-zijn is dus meer dan ervoor zorgen dat men Jezus niet vergeet. Het is meer dan de herinnering aan een nobel man kost wat kost in ere houden. Zo wordt christen-zijn voortdurend bidden om het geschenk van Gods Geest, om de kracht én de inspiratie van die adem, dat vuur dat Jezus zo heeft bezield en naar de wereld dreef. Christen zijn is telkens bidden: 'Kom, o heilige Geest.' Het is voortdurend, in het wel en wee van elke tijd, ons hart openen voor wat God zelf, in en doorheen situaties, aan ons te zeggen heeft. Wanneer ons geloofsleven zich mag ontwikkelen en meer wordt dan het naleven van een paar regels zal het verworden tot een voortdurende dialoog met God zelf. Tot het vaste besef: 'Al zie ik die God, die Jezus niet: ze zijn mij levendig nabij, als een hand op mijn hoofd, als reisgenoten onderweg.' Ik moet er enkel voor zorgen dat ik hun aanwezigheid niet uit het oog verlies of ik word een leeglopend vat, zonder enig godsgeloof of zonder naastenliefde. Ik moet me enkel heel gastvrij voor hen openstellen en zeggen: ‘Kom, Geest van God, heilige Helper, vergeet me niet!’
Gino