De Kerk is bovenal een kudde!
Ook de huurlingen bestaan nog. Dat zijn mensen die hun job doen maar ook niets meer en waarvan kinderen aanvoelen dat ze er met hun problemen niet terecht kunnen. Het zijn mensen die doen wat van hen gevraagd wordt, niets minder maar ook niets meer. Het zijn van die mensen die elk minuutje overwerk willen recupereren of dubbel betaald willen krijgen. Het zijn mensen die met weinig hart of ziel hun job doen.
Een herder, dierbaren, is anders. Om de contouren van een herder te tekenen gebruikt Jezus het woord ‘kennen’. ‘Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij.’ Dit kennen is méér dan kennen bij naam. Het is een warm kennen, met een kijk op de rijkdom die van binnen zit. Van een jongen of een meisje die een vriend(in), een lief, heeft, zeggen we dat ze kennis hebben. ‘Kennis hebben van’ is ten diepste de warmte van de andere voelen en de warmte van jezelf willen doorgeven. Jezus is voor iedereen die gelovig naar Hem opkijkt een herder in de warme betekenis van het woord. Bij elk geestelijk contact met Hem groeien wij als mens, roept Hij in ons iets wakker: dat beetje goedheid, dat begin van heldhaftigheid. Datgene wat sluimerend in ons aanwezig is. Wie een ander echt graag ziet en met de volle warmte van zijn hart naar die ander toegaat, opent ongeziene perspectieven die de ander haast kunnen doen zweven. Ook al zullen we het zelf moeten doen. Hij geeft ons vertrouwen. Vandaag willen we heel bijzonder bidden, broeders en zusters, voor herders naar Gods hart in Gods Kerk. Wie niets vraagt, kan niets krijgen. Laten we in ons gebed vooral ook die warme kennis voor ogen houden. Laten we voorbeelden zijn van warme liefde en genegenheid in onze samenleving want alleen in de goede grond van warme genegenheid en liefde kunnen herders groeien naar Gods hart. Dierbaren, er is een aandoenlijke verstandhouding tussen de herder en zijn schapen. Naar een vreemde stem luisteren ze niet. Dat blijkt goed te zijn. Want veiligheid en geborgenheid worden geboren uit de goede relatie met de herder. Met hem leven ze buiten en vinden ze warmte binnen, als groep, als kudde. Maar ook individueel tellen ze mee. "Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam."
Als ik dan een schaap ben, wie is mijn herder? Niet Jezus zelf in dit evangelie. Hij is de deur en de herder gaat door die deur naar binnen. De herder kan om het even wie zijn, die mij met de gezindheid van Jezus tegemoet komt. Hij of zij die de gezindheid van Jezus in mij versterkt en verheldert: door woord of daad of manier van zijn en leven. We zijn dus elkaars herder.
Broeders en zusters, laten we ons op deze roepingenzondag keren naar de stem van God en gehoor geven aan wat Hij ons hart en ons verstand te kennen geeft en vertrouwvol op weg gaan in het voetspoor van die ene goede Herder, Jezus van Nazareth: verwacht en onverwacht klopt Hij aan de deur van uw en mijn hart, de deur van ons leven. Zullen wij thuis geven of doen we zoals dat baasje van die huismoeder die die week geen zin had om iets te kopen bij haar brouwer-aan-huis en er niets beter op vond dan haar zoontje de opdracht te geven de deur te openen met de boodschap: ‘Ons mama zegt dat we deze week niet thuis zijn.’
Gino