Homilie 28ste zondag A-jaar anno 2026 – Ziekendag
‘De gezonde mens heeft 25 wensen, de zieke slechts één.’ Geen haar op mijn hoofd die dat inzicht in twijfel durft trekken. Ben je gezond dan wil je van alles ondernemen en doen, dan wil je reizen en maak je plannen, dan ga je weg en ontvang je volk, dan kan je al je ideeën en fantasieën kwijt langs de meest verschillende kanalen en op de meest verschillende wijzen. Ben je dat echter niet: dan stuikt heel die wereld in elkaar, besef je pas hoe wonderbaar een sterke gezondheid wel is, en dan droom je enkel van de dag dat je weer tiptop in orde bent. De apostel Paulus wist het al 20 eeuwen terug: de kerkgemeenschap is te vergelijken met een goed functionerend lichaam waarin alle lichaamsdelen en zintuigen hun taak en opdracht uitoefenen, elkaar aanvullen en nodig hebben. Je moet maar wat tandpijn hebben of een onooglijke splinter in je vinger achterna zoeken en je komt tot het besef: ‘De gezondheid van de mens is gewoonweg onbetaalbaar.’ Wie zich als een goudvisje in het water, kiplekker voelt, beseft nauwelijks wat het betekent om pijn te hebben, om te moeten loslaten, om je leefwereld te zien verschralen tot je eigen gezinsleden, kinderen en kleinkinderen, of misschien zelfs dat niet meer. Het feest van het leven gaat dan al snel aan je neus voorbij!
Ziekte en een wankele gezondheid, dierbaren zetten niet enkel de evidentie en de vanzelfsprekendheid van ons leven op de helling, ze halen in bijna alle gevallen ook ons sociaal netwerk overhoop. Wanneer je niet langer het huis kan verlaten, word je plots afhankelijk van de goodwill van anderen. Je kan enkel de uren aftellen, zappen van het ene televisienet naar het andere, als je er tenminste je hoofd koel kan bijhouden, en vroom afwachten tot iemand komt aankloppen, je vraagt ‘hoe gaat het? Wat kan ik voor je doen?’, of gewoon even rustig neer gaat zitten om geduldig te luisteren naar je laatste wedervaardigheden, je onmacht en je pijn. Gelukkig de zieke die dat hele verhaal desnoods ook nog eens mag overdoen, enkele dagen of weken later. Wat wie gezond is, komt al snel in de bekoring om te denken en te zeggen: ‘Ach, ja hebt dat al verteld, ik weet het al.’ Wie bedlegerig of thuisgebonden wordt, ziet zijn leefwereld verengen, heeft weinig nieuws te vertellen en zit al gauw te vissen op steeds maar dezelfde vijver…Over ziek-zijn vallen bladzijden en bladzijden boeken neer te schrijven, maar wie het ooit aan den lijve heeft ondervinden weet wat ik bedoel. ‘Je moet het meegemaakt hebben,’ zegt de volkse man in de straat om te begrijpen, aan te voelen wat ik bedoel. Plots word je een kamernummer: ‘Is 345 al gewassen?’, hoor ik de verpleegster op de ziekenhuisgang aan haar collega vragen. Neen je bent niet langer meer die mens, met dat verleden en die dromen, die concrete mens van vlees en bloed, maar wel een nummer, een dossier, in handen van dokters en verpleegsters op wiens gezicht niet altijd staat te lezen dat ze ooit voor dat beroep gekozen hebben omdat ze van mensen houden of mensen willen helpen…Wie aan een bepaalde ziekte lijdt, voor vaak kortweg ‘een zieke’ genoemd, en niet langer ‘een zieke mens’.
Heel de geschiedenis van onze kerkgemeenschap door hebben christenen zich verantwoordelijk geweten voor hun zieke medemensen. Iedere tijd opnieuw zijn mannen en vrouwen, vaak ook religieuzen naar de kruispunten der wegen getrokken om lichamelijke en geestelijk zieke mensen toch uit te nodigen voor het feest van Gods trouwe liefde. Langs hospitalen en kloosters, ziekenhuizen, godshuizen en thuisverpleging hebben talloze christenen hun uiterste best gedaan om als Veronica langs Jezus’ kruisweg de tranen t drogen van wie de wanhoop nabij was…en mensen bij te staan in hun zoektocht naar aanvaarding en vernieuwd geluk. Want ook als niet alles goed is en je lichaam of geest niet te ontkennen beperkingen en grenzen heeft, blijf je toch verlangen naar geluk, naar een stukje van dat feest waartoe God Zijn mensen heeft uitgenodigd en blijft uitnodigen, tot op de dag van vandaag. Wie naar de kruispunten der wegen gaat, op zoek gaat naar zijn zieke medemensen en zich liefdevol over hen ontfermt, die heeft zich onderweg voor de bruiloft gekleed. “Ik was ziek en jij hebt Mij bezocht. Wat je voor hen deed heb je aan Mij gedaan,” staat daarop te lezen.
Gino, oktober 2026