Op de zondagen en hoogdagen zijn er drie Schriftlezingen verplicht. Slechts uitzonderlijk en in bijzondere omstandigheden kan men de eerste of tweede lezing weglaten. Voor de zondagen is immers een driejarige cyclus van Schriftlezingen voorzien, waarin het Nieuwe Testament bijna integraal is opgenomen. Voor het Oude Testament heeft men telkens een passage genomen die verband houdt met de tweede of derde lezing.
In 2026 is de A-cyclus aan de beurt (begonnen op 30 november 2025 met de eerste zondag van de Advent), waarin we voornamelijk lezen uit het Matteüsevangelie. Met ingang van de Advent 2026 die dit jaar begint op 29 november wordt gebruik gemaakt van de B-cyclus waarin Marcus de voornaamste evangelist is. Op 28 november 2027 start dan de C-cyclus met de evangelist Lucas. Om volledig te zijn, is er in de liturgie van het Woord ook een Antwoordpsalm voorzien na de eerste lezing, een aantal psalmverzen als overweging bij de lezing. Bij voorkeur wordt die psalm gezongen, als de zangtalenten beschikbaar zijn. De gemeenschap wordt alleszins uitgenodigd om na elk psalmvers het refrein telkens gezamenlijk te herhalen. Na de tweede lezing volgt dan nog een acclamatie, gewoonlijk het alleluiavers genoemd, dat de lezing van het evangelie inleidt. Maar dus nu is op zondag de evangelist Matteüs onze belangrijkste gids. Laten we met hem even kennismaken.
Geen enkele jood in Palestina werd minder geschikt geacht voor het apostelschap dan Matteüs. Hij werkte als vrijwillige belastinginner voor de Romeinen en was daarom in de ogen van zijn landgenoten een verachtelijke verrader.
Tollenaar en Paria
Matteüs zat elke dag in zijn tolhuis in Kafarnaüm, een dorp in Galilea dat op de belangrijke handelsroute tussen Egypte en Damascus lag. Naast het heffen van zo hoog mogelijke accijns waren de tollenaars berucht om het vullen van hun eigen zak met smeergeld en afgeperst geld. Omdat ze oneerlijke verraders waren, stonden ze volgens de joodse wet op één lijn met dieven, moordenaars en ‘onreine beesten’. Kortom, Matteüs leefde een leven van bedrog. Maar vanaf het moment dat Jezus hem opriep om leerling te worden, veranderde zijn leven drastisch. Matteüs was veruit de rijkste apostel.
Eerste evangelist
Matteüs was ook de enige apostel die kon lezen en schrijven. Zijn pen was een van de weinige bezittingen die hij had meegenomen en traditioneel wordt het Bijbelboek het Evangelie van Matteüs aan hem toegeschreven. Dit evangelie is in het Hebreeuws geschreven en de nadruk ligt op het in vervulling gaan van de profetieën over de komst van de Messias. Het Evangelie van Marcus is eerder geschreven, maar dat van Matteüs is completer en staat als eerste Bijbelboek in het Nieuwe testament.
Matteüs richt zijn evangelie tot de verloren schapen van Israël, de zondaars die de wet niet naleven en die hem daarom na aan het hart liggen. Er is weinig bekend over zijn latere leven en zijn dood. Hij zou de marteldood door het zwaard zijn gestorven in Ethiopië of Perzië. In de kunsten wordt hij meestal schrijvend afgebeeld achter een bureau met een engel die zijn schrijfveer leidt. Soms heeft hij een bril op zodat hij de kleine cijfertjes op zijn rekeningen kan lezen. De evangelist Marcus noemt hem Levi, zoon van Alfeüs uit Kafarnaüm, een tollenaar die door Jezus geroepen werd om hem te volgen als zijn leerling. In het tolhuis vindt vervolgens een gastmaal plaats waar veel tollenaars en minder goed bekendstaande mensen aanwezig zijn tot grote ergernis van sommige Schriftgeleerden (Marcus 2, 13-17). Deze Levi wordt Matteüs, één van de twaalf apostelen maar ook de man, die als nabije getuige van Jezus’ woorden en daden, tal van uitspraken van de Heer heeft opgetekend en met gebruikmaking van het evangelie van Marcus en verdere reeds bestaande overleveringen aan het ons bekende evangelie de uiteindelijke vorm gegeven. Rond 120 ná Christus werd Matteüs reeds genoemd als schrijver voor de joodse christenen. Hij zou in Perzië of in Ethiopië de blijde boodschap hebben verkondigd en daar ook gewelddadig zijn ter dood gebracht.
Symbolen
De voorname plaats van de evangelisten heeft men reeds vanaf de vierde eeuw aangegeven door middel van menselijke figuren of symbolen. Daarbij is teruggegrepen op Ezechiël 1, 10, waar de profeet in zijn hemelvisioen ook vier wezens aanschouwt: een mens, een leeuw, een rund en een arend. In Openbaring 4, 7 worden deze vier dieren vermeld rondom de troon met de gezichten van een leeuw, een rund, een mens en een vliegende arend. Vanaf de kerkvader Hiëronymus zijn deze vier wezens betrokken op de evangelisten. Matteüs is dan de mens. Zijn evangelie begint met de menselijke afstamming van Jezus én hij heeft de meeste aandacht voor het diep menselijke in de evangelieverhalen. Meestal zijn de vier evangelisten ook te herkennen doordat ze een boek bij zich hebben: het evangelie dat ze zelf geschreven hebben, met daarbij ieder zijn eigen symbool: Marcus een leeuw, Lucas een stier, Matteüs een engel of gevleugelde mens en Johannes een adelaar.
Feestdag: 21 september. Attributen: met geldbuidels, man met vleugels, zwaard. Patronaat: van accountants, bankbedienden, van de geldhandel.