Na de vlucht naar Egypte vestigt het gezin zich in Nazareth, waar Jozef werkzaam was als timmerman, wat wijst op een eenvoudige levensstaat ondanks zijn afkomst.
Al is Jozef niet de lijfelijke vader van het kind, hij beseft dat hij als pleegvader een invloed zal hebben op het kind. Jezus zal immers de stempel dragen van Jozef. Hij zal van hem leren. Door Jozef zal Jezus eveneens groeien in rechtschapenheid. Hij gaat de geschiedenis in met de naam van zijn vader en diens beroep. ‘Jezus, is Hij niet de zoon van de timmerman?’, smaalden de inwoners van Nazareth (Mt. 13, 55).
Na die beginjaren vernemen we niets meer van Jozef, die bij het openbaar optreden van Jezus waarschijnlijk al was overleden. In het proto-evangelie van Jakobus, een apocrief geschrift dat handelt over de kindsheid van Jezus, vinden we de voorstelling dat Jozef reeds een oude man was toen hij zich verloofde met Maria. Dit lijkt me echter nogal onwaarschijnlijk gezien de opdracht die hij krijgt van Godswege om te zorgen voor Maria en het kind Jezus (Mt. 2, 19-23).
Jozef zorgde voor diegenen die hem werden toevertrouwd. Hij geeft ons een voorbeeld in het hoeden en het zorg opnemen voor anderen. En daarmee is Jozef ook de beschermer van de Kerk bij uitstek: de Kerk aan wie het geheim van de menswording is toevertrouwd, zoals indertijd aan Jozef. Daarmee heeft Jozef een plaats gekregen in de heilsgeschiedenis als pleegvader en behoeder van het heilige dat in Maria is verwekt, Gods Zoon, die gekomen is om de wereld te verlossen.
Paus Franciscus heeft dan ook beslist dat ‘de heilige Jozef, echtgenoot van Maria’ vermeld moet worden in het eucharistisch gebed, samen met Maria, de moeder van de Heer.
Jan Verheyen, pastoor