Paus Leo XIV schreef een boodschap voor de 34ste Wereldziekendag en hij stelde daarin de Barmhartige Samaritaan als voorbeeld: ‘Liefhebben door de pijn van de ander te dragen’. Ik wil uit deze pauselijke boodschap enkele gedachten meegeven.
We zijn allen vertrouwd met de ontroerende tekst uit het evangelie van Lucas (10, 25-37). Wanneer een wetgeleerde Jezus vraagt wie de naaste is die hij moet liefhebben, antwoordt Jezus met een verhaal: een man die van Jeruzalem naar Jericho reisde, werd door rovers overvallen en halfdood achtergelaten. Een priester en een leviet liepen aan hem voorbij, maar een Samaritaan kreeg medelijden. Hij verbond zijn wonden, bracht hem naar een herberg en betaalde voor zijn verzorging.
In de encycliek Fratelli tutti van paus Franciscus worden mededogen en barmhartigheid jegens de naaste in nood niet beperkt tot een louter individuele inspanning. Zij krijgen gestalte in de relatie met de noodlijdende, met de zorgverleners en, in de diepste kern, met God die ons zijn liefde schenkt.
Het geschenk van de ontmoeting: de vreugde van nabijheid en aanwezigheid
We worden opgejaagd door een cultuur waarin alles onmiddellijk en razendsnel moet gaan, en waarin uitsluiting en onverschilligheid gemakkelijk de overhand krijgen. Dit alles verhindert ons naderbij te komen en stil te staan bij de nood en het lijden om ons heen. Het evangelie vertelt ons dat de Samaritaan, toen hij de gewonde man zag, niet ‘voorbijging’. Hij keek naar hem met een open en aandachtige blik – de blik van Jezus – die hem bewoog tot een menselijke en solidaire nabijheid. De Samaritaan hield halt, schonk de man zijn nabijheid en verzorgde hem eigenhandig; hij bekostigde de zorg uit eigen middelen en bekommerde zich om hem. En bovenal gaf hij hem zijn tijd. Jezus leert ons hiermee niet zozeer wie onze naaste is, maar hoe wij zelf een naaste worden; dat wil zeggen: hoe wij voor de ander een medemens worden die werkelijk nabij is.
Liefde is niet passief. Zij gaat de ander tegemoet.
Een naaste worden, hangt niet af van fysieke nabijheid of sociale status, maar van de beslissing om lief te hebben. Daarom maakt de christen zich tot de naaste van wie lijdt, naar het voorbeeld van Christus: de ware, goddelijke Samaritaan die de gewonde mensheid nabij is gekomen. Het gaat hier niet om louter filantropische gebaren, maar om tekenen waarin voelbaar wordt dat persoonlijke betrokkenheid bij het lijden van de ander vraagt om de gave van onszelf. Het betekent dat we verder gaan dan alleen het lenigen van noden, zodat onze eigen persoon deel wordt van het geschenk. Deze naastenliefde put noodzakelijkerwijs kracht uit de ontmoeting met Christus, die uit liefde zijn leven voor ons heeft gegeven.
De heilige Franciscus van Assisi verwoordde dit heel treffend; sprekend over zijn ontmoeting met de melaatsen zei hij: ‘De Heer zelf heeft mij tussen hen gebracht’. Want juist doordat de Heer hem leidde, ontdekte hij de zoete vreugde van het liefhebben.