Kunnen we achterhalen wie de 16de-eeuwse Bijbels las? En hoe werden ze gebruikt? Dat zijn de centrale vragen van het project In Readers’ Hands. Een onderzoeksgroep van de KU Leuven en de Rijksuniversiteit Groningen bestudeert de gebruikerssporen in vroegmoderne Bijbels in de volkstaal, gedrukt door drie Antwerpse drukkers. Hoogleraar Wim François en onderzoeker Bert Tops lichten hun project toe in Tertio nr. 1.079 van 14 oktober 2020.
De onderzoekers speuren naar zes soorten lezerssporen. De eerste zijn provenance-gegevens: namen van lezers en gebruiksperiodes. “Wanneer je naar persoonlijke ideeën van de lezer zoekt, is de tweede soort het meest interessant: annotaties in de witruimtes. Die kunnen theologisch en devotioneel zijn, maar ook praktisch”, zegt theoloog Wim François. Een derde soort zijn censuuringrepen door lezers. Sommige katholieken “corrigeerden” bijvoorbeeld een protestantiserende Bijbel door woorden te doorstrepen en in de marge het katholieke woord te schrijven. “We hebben een mooi voorbeeld waar de lutherse ‘alleen’ voor ‘door tghelove’ met een mesje is weggekrast”, vult François aan. Aanpassingen, bijvoorbeeld door extra materiaal zoals afbeeldingen toe te voegen, zijn de vierde soort. Identiteitsvormende notities in de Bijbels zoals familiegebeurtenissen, vormen de vijfde soort. “Familiebijbels werden zo een soort heilige getuigenis van de familiegeschiedenis”, merkt François op. Ten slotte zijn er ongewilde sporen. Doordat sommige bladzijden beduimeld zijn, stellen de onderzoekers vast dat die veel gebruikt werden.