De dagen die aan Pasen voorafgaan zijn elk jaar een aanleiding om het christendom in de kijker te plaatsen. Dat gebeurt door negatieve en positieve gebeurtenissen of signalen in de verf te zetten. Dit jaar gebeurde dat onder meer via een filmpje waarin religieuze beelden werden stukgeslagen voor de lol, of door een spectaculaire opera waarin de spot met religieuzen als kunst wordt opgevoerd. Wat hierbij opviel was dat de beeldenstormers in hun verantwoording blijk gaven van een grenzeloze leegte, terwijl over de opera alle registers werden opengetrokken om er de positieve gelaagdheid en relevantie van aan te tonen of af te breken.
Bij de positieve signalen reken ik de vele kaarsen die branden overal waar er gelegenheid toe is in religieuze plekken. Een duidelijk teken van een religieuze onderstroom. Aandacht ging ook naar de stijging van het aantal volwassenendopen.
In een ‘zinplek’ in een Don Boscotijdschrift vond ik een getuigenis van een studente die, hoewel ze niet gedoopt was, toch besloot om rooms-katholieke godsdienst te volgen tijdens haar hogere studies. Ze wilde weten hoe de lessen godsdienst een opening konden bieden om het over religie te hebben: ‘hoe kunnen we richting krijgen om samen de wereld zo aangenaam mogelijk te maken? Dat is het toch waar de mensen die geloven naar op zoek zijn?’ vroeg ze zich af.
Deze verwachting lijkt me helemaal in lijn met wat in de visietekst staat van de pastorale eenheid Heilige Familie. Daarin staan mooie woorden: ‘een huis met vele kamers, iedereen telt, zorg centraal, authenticiteit, bezieling en verbinding.’ Allemaal woorden om naar te streven en creatieve vormen te zoeken om samen te komen.
Deze studente vertelt dan verder dat haar vriend gelovig is en dat ze wel eens met hem mee naar de kerk gaat, naar een eucharistieviering, en hoe ze zich daar onwennig voelt, omdat er een afstand is tussen waar ze naar op zoek is en wat ze daar ervaart.
De studente vond in de liturgie niet de woorden terug die ze verwachtte, waar ze zelfs naar verlangde. Er klonk geen huiselijke warmte. Wellicht zaten de mensen wat verspreid, achter mekaar zoals in een grote bus. Ze kijken wel in dezelfde richting, maar er is geen onderlinge verbinding. Die komt even (ongemakkelijk) binnen tijdens de vredeswens, zonder evenwel te beklijven. Samen zingen is ook moeilijk.
Hoe kunnen mensen – zo mogelijk jongeren – de weg naar de kerk vinden als ze zich er niet thuis voelen? Als er nauwelijks onthaal is, als de voorstelling weinig authentiek is? Hoe veel belangrijker is een warme verwelkoming en een communicatieve inleiding op ‘het verhaal-van-de-dag’, de echte reden van het samenzijn, om dan blijgezind aan tafel te gaan? ‘Zalig wie genodigd zijn aan de maaltijd van de Heer.’ Van die zaligheid merk ik zelden iets. Wat - zoals wel vaker - aantoont hoe de woorden in de viering niet voldoende van hun waarde getuigen. Daarom kan ik aannemen dat de studente zich te weinig aangesproken voelde.
Laten we ons daarom richten naar de kern van de parochie (para oikos is Grieks voor ‘rond het huis’) en van de kerk een thuis maken, waar we met zo laag mogelijke drempels samenkomen, verhalen vertellen, samen zingen, getuigen, luisteren, samen zwijgen, samen eten, samen het vuur aansteken en aanwakkeren. Laten we ervan dromen dat de volwassenen die zich laten dopen de weg vinden naar de parochiekernen, zangkoren of met hun enthousiasme nieuwe impulsen helpen ontwikkelen en dat al degenen die kaarsen branden ook in de kerkdiensten mee het vuur aansteken om de samenkomsten relevant te maken.
Patrick Van Looy (Tielen)