Misschien herkent u de eerste lezing wel: gedeeltelijk dezelfde tekst wordt voorgelezen in de nachtmis van Kerstmis. ‘Het volk dat in het donker wandelt, ziet een groot licht’. Het is een heilsprofetie in de vorm van een danklied. De profeet Jesaja kondigt bevrijding aan voor het volk. Het tweede deel van de profetie, waarin de geboorte van een koninklijk kind bezongen wordt en dat in de kerstnacht centraal staat, is vandaag weggelaten. Het inleidende vers daarentegen is nu wel opgenomen. Daarin wordt duidelijk over welk volk de profeet concreet spreekt: het land Zebulon en het land Naftali ... het gewest van de heidenen. Dat is het noordelijke deel van het land Israël. ‘Gewest van de heidenen’ klinkt in het Hebreeuws als galil haggojiem. Daar is ‘Galilea’ van afgeleid, de naam van de streek waar Jezus opgroeide en waar hij zijn optreden begon. Omwille van dit vers is de eerste lezing gekozen. Het wordt door Matteüs in de evangelielezing geciteerd, in verband met het begin van Jezus’ prediking in Galilea.
Matteüs laat het begin van Jezus’ openbare optreden onmiddellijk aansluiten bij de gevangenneming van Johannes de Doper. Die gevangenneming is voor Jezus de aanleiding om Nazaret te verlaten en uit te wijken naar Kafarnaüm, aan de oever van het meer. Het is niet de eerste keer dat Jezus ‘uitwijkt’ in het Matteüsevangelie. Hij had het als kind al een paar keer moeten doen, eerst naar Egypte, om de moordplannen van Herodes te ontvluchten, en later uit Judea naar Nazaret, uit vrees voor Archelaüs, zoon en opvolger van Herodes (zie Matteüs 2,14.22). En nu dus naar Kafarnaüm, naar de uiterste grens van Israël, het half-heidense Galilea. Daar knoopt Matteüs het citaat uit Jesaja aan vast: volgens hem is Jezus zelf het Licht voor het volk dat in duisternis zit.
Dan horen we de kern van Jezus’ prediking: ‘Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij’. Precies dezelfde woorden hebben we al eens uit de mond van Johannes de Doper gehoord, op de tweede zondag van de Advent (Matteüs 3,2). ‘Van toen af begon Jezus te prediken...’. Met deze aanhef wordt het eerste grote deel van het Matteüsevangelie ingeleid. Dezelfde uitdrukking keert terug bij het begin van het tweede deel (16,21). Maar het duurt nog even voor we in de liturgie zover zijn: om precies te zijn tot de tweeëntwintigste zondag door het jaar, op het einde van de zomer.
In het eerste deel van zijn evangelie zal Matteüs de activiteit van Jezus drievoudig uitwerken. (1) Jezus als leraar (de Bergrede, Matteüs 5–7). (2) Jezus geneest zieken (een reeks wonderverhalen in Matteüs 8–9). (3) Jezus roept en zendt leerlingen (de Zendingsrede, Matteüs 10). Deze drievoudige activiteit vat Matteüs samen in de tweede helft van de evangelielezing van vandaag: een verhaal over de roeping van de eerste leerlingen en, als laatste zin, een kort bericht over Jezus als leraar en genezer.
Jezus gaat grensverleggend te werk. Hij begint zijn optreden niet in het centrum, maar in de periferie. Niet in Jeruzalem, maar in het verre, half heidense Galilea. Niet in de grootstad, maar in de dorpen. Niet in vooraanstaande kringen, maar gewoon onder het volk. Het zijn vooral de kleinen die naar Jezus toe komen en bij wie Hij zich thuis voelt: zieken, zondaars, verschoppelingen. Zij zijn het volk dat in duisternis zat en over wie nu een helder licht opgaat.
Jezus nodigt zijn toehoorders uit, op hun beurt hun grenzen te verleggen. Dat blijkt uit de twee korte uitspraken van Jezus in de evangelielezing. De eerste uitspraak richt Jezus tot heel het volk: ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij’. Bekeer je: keer je leven om, verander van mentaliteit, verruim je blikveld, geloof dat je vandaag nog aan een nieuwe toekomst kunt beginnen. De tweede uitspraak richt Jezus tot zijn leerlingen: ‘Komt, volgt mij; Ik zal u vissers van mensen maken’. Laat je verleden achter, geloof dat er méér is in jou. Een belangrijke taak wacht je, zoveel mensen kijken uit naar een reddende hand: vis hen op uit de zee van ellende waarin ze dreigen onder te gaan. Het Rijk der hemelen is bestemd voor hen die bereid zijn zich door Jezus te laten omscholen tot ‘vissers van mensen’ en in zijn voetspoor hun grenzen te verleggen.
Paul Kevers