Volgens de evangelist Matteüs is Jezus vóór alles leraar. Dat hebben we vorige zondag al gemerkt, toen Matteüs het eerste grote deel van zijn evangelie als volgt inleidde: ‘Vanaf toen begon Jezus te prediken ... Hij trok rond door geheel Galilea, terwijl hij als leraar optrad in de synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk’ (4,23). Matteüs heeft de verkondiging van Jezus samengebracht in vijf lange toespraken. Na de bergrede (Matteüs 5–7) volgen nog de zendingsrede (10), de parabelrede (13), de kerkelijke rede (18) en de rede over de eindtijd (24-25). Vandaag lezen we de plechtige aanhef en het eerste onderdeel van de bergrede, namelijk de zaligsprekingen Bij het zien van de menigte gaat Jezus de berg op (zoals Mozes, de wetgever op de Sinaï), zet zich neer (de houding van de leraar) en begint te onderrichten: ‘Zalig de armen...’
De zaligsprekingen komen ook bij Lucas voor, in een gewijzigde vorm (Lucas 6,20-26). Lucas heeft slechts vier zaligsprekingen (de armen, zij die honger lijden, zij die wenen, zij die gehaat en uitgestoten worden) en knoopt daar vier corresponderende wee-woorden aan vast (Wee u, rijken...). In vergelijking met Lucas valt bij Matteüs de verinnerlijking op: zalig de armen van geest, zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. In de zaligsprekingen die Matteüs méér heeft, worden innerlijke levenshoudingen zalig geprezen: zachtmoedigheid, barmhartigheid, zuiverheid, vredelievendheid.
Lucas legt in zijn evangelie meer de nadruk op de materiële armoede en op de noodzaak voor de volgelingen van Jezus om zich te ontdoen van materiële rijkdom. Matteüs legt een ander accent. Hij schrijft voor mensen die al een tijdlang christen zijn. Rijken worden niet zomaar uit de gemeenschap gestoten, en materiële armoede alleen volstaat niet om tot het rijk Gods te behoren. De innerlijke gesteldheid van het hart, ‘geestelijke armoede’ of ontvankelijkheid is zeker zo belangrijk, meent Matteüs.
Zalig de armen... Niet alleen de evangelielezing, maar ook de andere schriftteksten van deze zondag spreken over armoede. Paulus schrijft dat God mensen van geringe afkomst heeft uitverkoren. De antwoordpsalm bezingt God die zich het lot van verdrukten en ontheemden aantrekt en die wees en weduwe steun geeft. ‘Dan laat ik bij u alleen nog over een ootmoedig, bescheiden volk, dat zijn toevlucht vindt bij de naam van de Heer’, zegt de profeet Sefanja. De armen staan het dichtst bij God en hun loon zal hen niet ontgaan. Dat klinkt mooi, maar is het ook waar?
De Bijbel weet heel goed dat zo’n ideaal lang niet vanzelfsprekend is. De ervaring leert dat de armen armer en de rijken rijker worden, dat het de zondaars vaak goed gaat en de rechtvaardigen moeten lijden. In het boek Job en in een aantal psalmen wordt daarover geklaagd, in Psalm 73 bijvoorbeeld: ‘Ik was jaloers op die opscheppers, zag hoe goed het de bozen vergaat: armoede kennen ze niet, hun lichaam is gezond en doorvoed ... Waarom heb ik in U geloofd, heb ik mijn handen rein gehouden? Iedere dag is een straf voor mij!’. Armoede is vaak het gevolg van schrijnend onrecht en dit schandaal wordt door de profeten aangeklaagd. Ze veroordelen de rijken die de armen verdrukken en de kleinen uitzuigen: ‘Wee hen die ... de armen uit hun rechten ontzetten, de geringen van mijn volk onthouden wat hun toekomt, de weduwen plunderen en de wezen uitbuiten’ (Jesaja 10,1-2; zie ook 5,8; Amos 2,6-7 en vele andere teksten). God staat volgens hen aan de kant van de armen. Dat is ook de overtuiging van de dichter van de antwoordpsalm: ‘De Heer verschaft recht aan de verdrukten’.
Volgens de profeten en de psalmen zijn de armen dus op een bijzondere wijze met God verbonden. Armen zijn ontvankelijk voor God, want ze zijn niet zelfgenoegzaam zoals de trotse rijken. Zo groeide de overtuiging dat het ideale volk van God alleen een bescheiden volk kan zijn, een volk van armen en kleinen (zie Sefanja in de eerste lezing). Jezus prijst de mensen met een ontvankelijke levenshouding zalig. Maar deze spiritualiteit mag geen alibi zijn om de ogen te sluiten voor het onrecht en het protest van de profeten te vergeten.
Paul Kevers