‘Jullie zijn het zout der aarde. Jullie zijn het licht der wereld’. Die twee spreuken van Jezus sluiten onmiddellijk aan bij de zaligsprekingen en vormen samen daarmee de ‘ouverture’ van de Bergrede. Net als de laatste zaligspreking zijn ook deze twee uitspraken in de tweede persoon meervoud geformuleerd. Wij worden met nadruk persoonlijk aangesproken: ‘Jullie zijn het zout der aarde ... Jullie zijn het licht der wereld!’. Dat is niet voor een selecte groep bedoeld, maar voor alle lezers van het Matteüsevangelie, voor alle christenen.
Christenen moeten zijn als zout dat zijn kracht niet verliest. En zij moeten zijn als een lamp die niet verborgen wordt maar licht laat stralen voor allen. Licht en kracht. Beide thema's vinden we terug in de andere schriftteksten van deze dag.
Over licht spreekt de profeet Jesaja in de eerste lezing. ‘Deel uw brood met de hongerigen ... dan zal uw licht stralen als de dageraad. Wanneer gij uw hart voor de hongerige opent ... dan straalt uw licht in de duisternis, dan wordt uw nacht als de middag.
Over kracht spreekt Paulus in de tweede lezing. Hij vindt zijn kracht niet in zichzelf, maar bij God. ‘Ik voelde mij zwak, nerveus en angstig. Het woord dat ik u verkondigde, had niets te danken aan overredingskracht van de “wijsheid” (Paulus bedoelt: mooipraterij), maar het getuigde van de kracht van de Geest ... de kracht van God’.
Psalm 112, de antwoordpsalm, bezingt de rechtvaardige: ‘Hij is voor de vromen een licht in de nacht, weldadig, barmhartig, rechtvaardig ... In eeuwigheid staat de rechtvaardige sterk, men blijft hem voor eeuwig gedenken ... Standvastig en zonder vrees zet hij door, met mildheid deelt hij aan armen uit’.
Licht en kracht dus, maar niet gelijk welk licht, niet gelijk welke kracht. Niet de oogverblindende schittering van pracht en praal, maar een licht dat erin bestaat zorg te dragen voor de zwaksten, de kwijnende vlaspit niet te doven, zijn hart te openen voor de mens in nood (zie Jesaja in de eerste lezing). Het licht van de mens die, zonder daar ruchtbaarheid aan te geven, weggeeft en leent, en zijn zaken eerlijk behartigt (Psalm 112). Niet de kracht van de machthebber die geweld gebruikt, maar van de mens die weet dat hij zwak is en zijn steun vindt in de kracht van God (Paulus in de tweede lezing). De standvastigheid van de mens die ‘ongeschokt op de Ene blijft vertrouwen ... en met mildheid aan armen uitdeelt’ (Psalm 112). Zij die zo leven, zegt Jezus, zijn zout voor de aarde en licht voor de wereld.
Paul Kevers