Christenen hebben het geluk om samen met de kerkgemeenschap tweemaal per jaar een periode van reflectie en bezinning door te maken. In de advent en de vastenperiode wordt de tijd genomen om tot inkeer te komen. Dat is zeker het geval tijdens de vasten. Gedurende veertig dagen nemen we ruim de tijd om ons leven voor een spiegel te houden zodat we met Pasen het nieuwe leven kunnen vieren.
De weg van de ommekeer
Wie de weg wil gaan met God en met mensen komt snel tot de vaststelling dat niet alles wat we zeggen of doen altijd juist is. Dat gebeurt deels bewust, maar ook onbewust. Paulus doorzag dit mechanisme en schreef in de brief aan de christenen in Rome:
‘Ik begrijp zelf niet wat ik doe, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat.’ (Rom 7,15)
Het is met andere woorden soms sterker dan onszelf om niet altijd het juiste woord te spreken op het juiste moment of om de goede daden te stellen die in een bepaalde situatie van ons verwacht worden.
Vanuit het besef dat de weg die je bewandelt niet altijd de juiste weg is, is het nodig om halt te houden en op je stappen terug te keren. Alleen op die manier kan je terug de focus richten op de weg die wel ergens toe leidt.
Afgoden
De verkeerde weg bewandelen heeft vaak te maken met het vereren van afgoden. In de Bijbel vinden we dan ook passages terug die het hebben over de afgoden en de veroordeling ervan. De wereld van de afgoden is immers een wereld ten dode, want ze zijn menselijke creaties van onze verbeelding en behoeften. Het zijn zaken waaraan we teveel aandacht besteden: bezit, geld, status, eer, macht, roem. Ze worden ‘afgoden’ genoemd omdat we ze aanbidden en er afhankelijk van zijn geworden.
In Psalm 115 (en ook in Psalm 135) klinkt dat we van dergelijke afgoden niets moeten verwachten. Ze brengen geen leven. De enige bron van leven is God en niemand anders!
“Hun goden zijn van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden. Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken, ze hebben ogen, maar kunnen niet zien, ze hebben oren, maar kunnen niet horen, ze hebben een neus, maar kunnen niet ruiken. Hun handen kunnen niet tasten, hun voeten kunnen niet lopen, geen geluid komt uit hun keel. Zoals zij, zo worden ook hun makers,
en ieder die op hen vertrouwt.” (Ps 115,4-8)
Ommekeer als noodzaak
Wanneer we voldoende tot het inzicht gekomen zijn dat de aanbidding van dergelijke goden ons niet op onze bestemming brengt, slaan we de weg in die leidt tot nieuw leven. Die weg verloopt in verschillende etappes. Eerst is er de afwending. Daarna volgt het zich omkeren om tot slot zich te kunnen toewenden tot wat er echt toe doet.
Heel die beweging zien we terugkeren in het verhaal van de verloren zoon van de evangelist Lucas. Nadat de jongste zoon het erfdeel van zijn vader had opgeëist leidde hij een liederlijk leven. Op het moment dat hij al zijn geld verbrast had en uit noodzaak varkens (onreine dieren voor de Joden) moest hoeden, komt hij tot het inzicht dat het zo niet verder kan.
“Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en dacht …” (Lc 15,16).
In het diepst van zijn miserie komt de zoon tot inkeer. Door terecht te komen in een heel benarde situatie wordt hem als het ware een spiegel voorgehouden. Door naar zichzelf te kijken, naar zijn doen en laten, komt hij tot het volle besef dat de weg die hij gekozen had een doodlopende weg was geworden. Hij was te afhankelijk geworden van de rijkdom en was blind geworden voor de nefaste gevolgen van zijn levenskeuze. En dán komt hij tot ommekeer en keert hij terug naar zijn vader, in het besef dat hij het is die hem in leven kan houden, zij het dan als ‘dagloner’.
Het zich toewenden tot de vader blijkt een goede keuze te zijn. Want wat een genade is het om vast te stellen dat de vader op de uitkijk staat. En wat een geruststelling om te merken dat hij inderdaad niets liever wil dan zijn zoon het leven terug te geven.
In zijn brief aan de Tessalonicenzen schrijft Paulus dat het zich toewenden tot God, een toewending is naar het ware leven, net omdat God de ‘ware en levende God’ is.
“Iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren – om Hem, de levende en ware God, te dienen.” (1Tes 1,9)
Aswoensdag
“Keer terug tot Mij met heel je hart.” (Jo 2,12)
Deze profetische oproep van Joël, die we beluisteren tijdens de eerste lezing op Aswoensdag, kan tellen om ons wakker te maken en om ons de kans te geven de doodlopende wegen in ons leven te verlaten. Of nog anders gezegd: om de ingesleten levenspatronen te hervormen. God blijft ons wenken, wat er ook gebeurt, om steeds te kiezen voor het leven en niet voor de dood.
Dat is ook de betekenis van het zich laten bestrooien met as. De as staat symbool voor het stof dat wij mensen slechts zijn, voor het vergankelijke en doodse. Maar ondanks het feit dat we slechts stof en as zijn, zijn we toch door God bemind en geroepen om op te staan tot nieuw leven. Tijdens de bestrooiing klinken daarom de woorden:
‘Bekeer je en open je hart voor het evangelie’ (cf. Mc 1,15).
Laten wij ingaan op die woorden en met goede moed tot inkeer en ommekeer komen om samen met velen de nieuwe weg ten leven te gaan. Dit alles vanuit het vertrouwen in Gods barmhartigheid!
Pastoor Bart