Op de zondagen van de Veertigdagentijd zijn de lezingen uit het Oude Testament niet gekozen in dienst van de evangelielezing zoals op de gewone zondagen. Ze vertellen een eigen verhaal. Ze roepen de voornaamste etappes van de heilsgeschiedenis op. Vandaag, op de eerste zondag, beginnen we bij het begin: de schepping van de mens en de zondeval.
Het oude paradijsverhaal vertelt plastisch hoe God de mens boetseert uit stof van de aarde en hem de levensadem in de neus blaast. God plaatst de mens in de tuin die Hij zelf geplant heeft, om die te bewerken en te beheren. Dit beeld drukt uit hoe God de mens bedoeld heeft: als medeverantwoordelijke voor de schepping. In dat partnerschap, in die verbondenheid tussen God en mens – en tussen de mensen onderling – liggen het geluk en de toekomst van de mens besloten.
Maar de mens weigert God als een bondgenoot te erkennen en maakt Hem tot een rivaal. Daarin ligt de kern van de zonde en van alle kwaad – niet in het overtreden van een gebod of in het eten van een verboden vrucht. Het venijn van de woorden van de slang zit hierin, dat zij God en mens als elkaars concurrenten voorstelt: ‘God weet dat uw ogen open zullen gaan als ge eet van die boom, en dat ge dan gelijk zult worden aan God’ (3,5). Dan begint de mens ervan te dromen dat hij God zal evenaren, en daardoor worden alle relaties verstoord. De mens, geroepen tot verbondenheid ten leven, vervalt in dodelijke concurrentie. De mensen, die zich tevoren niet schaamden omdat zij naakt waren, voelen zich niet meer veilig bij elkaar en gaan zich afschermen. Het begint met kleding, het loopt uit op wapens. Het dodelijke conflict tussen Kaïn en Abel ligt al in het verschiet.
In de tweede lezing denkt Paulus na over de zondeval en de verlossing. ‘Door een mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood. Dank zij de ene mens Jezus Christus kwam er vrijspraak en leven voor allen’. Deze woorden van Paulus vertolken een belangrijk thema in de woorddienst van vandaag. Het gaat over dood en leven, over het kwaad en over de mogelijkheid om het kwaad te overwinnen.
In alle tijden hebben de mensen het kwaad ervaren als een geheimzinnige, mysterieuze macht die hen te boven gaat, een kracht die van buiten komt en waar zij in verstrikt zitten. Die ervaringen hebben geleid tot mythologische verhalen en voorstellingen, die trachten een antwoord te geven op de intrigerende vraag naar de oorsprong van het kwaad. Het paradijsverhaal van Genesis is geworteld in die mythologische voedingsbodem. De geheimzinnige, sprekende slang is een mythologische figuur. Dezelfde mythologische achtergrond werkt door in het bekoringsverhaal van het evangelie, waar Jezus geconfronteerd wordt met ‘de duivel’ en met hem een gesprek aangaat. Deze wijze van voorstellen mag ons echter de diepe overtuiging van de Bijbel niet uit het oog doen verliezen: ‘Door de mens is de zonde in de wereld gekomen’.
‘Weg, satan’. Met die woorden weerstaat Jezus aan de duivel. Verderop in het evangelie richt hij identiek dezelfde woorden tot Petrus, wanneer die hem wil afbrengen van zijn levenskeuze om in dienstbaarheid tot het uiterste te gaan (zie Matteüs 16,23). Het woord ‘satan’ betekent letterlijk tegenstander, dwarsligger, iemand die zich dwars opstelt op de weg die een ander wil gaan.
Het is waar dat wij vaak gevangen zitten in een kringloop van kwaad, een spiraal van geweld. Maar het is evenzeer waar dat wij, mensen, verantwoordelijk zijn voor vele vormen van kwaad. Volgens de Bijbel is de mens een vrij geschapen wezen, dat in vrije verantwoordelijkheid al dan niet kan ingaan op de vraag die door God – door het leven zelf wordt gesteld: wil je als medemens in verbondenheid door het leven gaan, of wijs je dat verbond in zelfzucht af? In principe staat elke mens voor die keuze, weet het paradijsverhaal. Jezus zelf heeft voor die keuze gestaan, vertelt het bekoringsverhaal van het evangelie. Jezus heeft de goede keuze gemaakt, ze consequent tot het uiterste volgehouden en daardoor het kwaad overwonnen.
In de veertigdagentijd worden wij elk jaar opnieuw voor de keus gesteld. Met Israël, met Jezus gaan wij de woestijn in. ‘Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven!’ (Deuteronomium 30,19).
Paul Kevers