Na de scheppingsverhalen is de tweede grote etappe in de heilsgeschiedenis de roeping van Abraham. Daarover gaat de eerste lezing. ‘Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie’. Met die woorden begint het grote geloofsverhaal van Israël. Abraham hoort een stem. Een stem die hem oproept om weg te trekken, om het verleden en het oude land achter zich te laten om op weg te gaan – ja, waarheen? ‘Naar het land dat Ik u zal aanwijzen’. Naar een nieuwe toekomst. Naar een nieuwe samenleving in Gods Naam.
Wat hier gebeurt met Abraham, gebeurt in de Bijbel altijd opnieuw. Ook Mozes hoort die stem. ‘Ga terug naar Egypte. U moet mijn volk uit Egypte leiden, naar een land dat goed en ruim is’ (Exodus 3). En Jeremia: ‘Als profeet voor de volken heb Ik u aangewezen, ga naar iedereen tot wie Ik u zend’ (Jeremia 1,5-7). Altijd opnieuw roept de Eeuwige de mensen op om weg te trekken uit het oude land, om het slavenhuis vol onrecht achter zich te laten en stappen te zetten in de richting van het ‘beloofde land’: een samenleving waarin ieder mens in vrijheid tot zijn recht kan komen.
Die stem van de Ene houdt niet alleen een oproep in, maar ook een belofte, een bemoedi-ging. ‘Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken. Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde’, hoort Abraham. ‘Ik zal met u zijn. Ik zal u ingeven wat u moet zeggen’, hoort Mozes. ‘Wees niet bang, want Ik ben bij u om u te red-den’ hoort de profeet Jeremia.
Die roepende maar ook beloftevolle en bemoedigende stem hebben de leerlingen gehoord in Jezus. ‘Kom, volg mij, ik zal u vissers van mensen maken’ (Matteüs 4,19). Toen lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Stilaan werd duidelijk waarheen die weg zou leiden: naar Jeruzalem, naar tegenkanting, lijden en dood. Zij werden bang en gingen dwarsliggen op de weg: ‘Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen’ (16,22). Daarna volgt het verhaal van de gedaanteverandering op de berg, dat we vandaag lezen. Een beloftevolle ervaring, waarin het heerlijke einddoel van de weg even zichtbaar wordt. Een ervaring die nieuwe moed geeft om verder te gaan.
Jezus neemt Petrus, Jakobus en Johannes mee naar de top van een hoge berg. Je zou dit ver-haal een ‘vervroegd paasverhaal’ kunnen noemen. Enkele dagen nadat Jezus voor het eerst heeft gesproken over het lijden dat hem te wachten staat, krijgen de leerlingen boven op de berg een visioen, dat hen uitzicht geeft op de verheerlijking van Jezus na zijn dood. Petrus, Jakobus en Johannes zien Jezus in een heel nieuw licht. Zij zien hem in het gezelschap van Mozes en Elia, in het licht van Tora en Profeten. Zij zien hem in het licht van God zelf: ‘Dit is mijn Zoon, de welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem’. Boven op de berg krijgen zij een betere kijk op de weg van Jezus, en zien zij waar die weg heen leidt. Het geeft hen moed om ook zelf die weg te gaan. Zij moeten immers van de berg afda-len en met Jezus mee op weg gaan naar Jeruzalem. Zoals zij ook na Pasen op de berg de we-reld in gezonden worden: ‘Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen’ (Matteüs 28,16-20).
In de eerste lezing, over de roeping van Abraham, en in andere bijbelse roepingsverhalen ontdekten we twee aspecten: oproep en belofte. Die twee aspecten vinden we ook in het ver-haal van de gedaanteverandering terug. Het treft hoe Jezus in het verhaal van Matteüs tege-lijk ongenaakbaar verheven én verrassend menselijk nabij is. De leerlingen ‘werpen zich ter aarde, aangegrepen door een hevige vrees’, maar Jezus komt uit zijn heerlijkheid naar hen toe en raakt hen aan om hen te bemoedigen: ‘Staat op en weest niet bang’. Het is een gebaar van beloftevolle bemoediging, dat evenwel de oproep niet verdoezelt. Zij mogen immers hun tenten niet opslaan boven op de berg. Zij moeten weer naar beneden en verder op weg gaan naar Jeruzalem.
Paul Kevers