Tijdens de Goede Week gedenken wij de laatste levensdagen van Jezus. Vandaag trekt Jezus de stad Jeruzalem binnen, terwijl hij door het volk wordt toegejuicht en als koning gehuldigd. Enkele dagen later wordt die zelfde stad het toneel van Jezus’ arrestatie, verwerping en terechtstelling. ‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en diegenen stenigt die tot haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen niet onder mijn hoede willen nemen, zoals een kip haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels, Maar u hebt het niet gewild’ (Matteüs 23,37).
Ieder jaar wordt op Palmzondag het lijdensverhaal voorgelezen, dit jaar in de versie van Matteüs. Deze evangelist heeft het verhaal van Marcus grotendeels overgenomen, maar er ook enkele elementen aan toegevoegd, waardoor hij een paar eigen accenten legt. Zo besteedt hij veel aandacht aan het verraad van Judas en aan diens levenseinde (27,3-10). Hij vermeldt de interventie van de vrouw van Pilatus ten gunste van Jezus (27,19) en hij verhaalt de scène waarin Pilatus zijn handen in onschuld wast en het volk uitroept: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!’ (27,24-25).
Vooral die laatste toevoeging heeft vérstrekkende gevolgen gehad: deze woorden zijn vaak misbruikt om antisemitisme en jodenvervolgingen te rechtvaardigen. Het is een feit dat Matteüs de schuld voor de terechtstelling van Jezus bij (een deel van) het joodse volk legt, en dat hij Pilatus en de Romeinen tracht vrij te pleiten. Maar we moeten goed beseffen in welke context Matteüs dat deed. Matteüs is zelf een jood. Hij is zwaar ontgoocheld over het feit dat zijn volk Jezus niet heeft aanvaard. Hij onderstreept dat zelfs één van de twaalf meegewerkt heeft aan de verwerping van Jezus. Daarom voegt hij een passage toe over Judas, waarin deze laatste bekent: ‘Ik heb misdaan door onschuldig bloed te verraden’ (27,4).
Matteüs vraagt zich af hoe dat mogelijk was en zoekt naar een antwoord in de Schrift. Het ‘moest’ gebeuren volgens de Schriften, ‘opdat in vervulling zou gaan wat door de profeten voorzegd was’ (zie 27,9). Maar dat neemt niet weg, schrijft Matteüs, dat wij, joden, schuldig zijn; dat wij, zijn leerlingen, Jezus verraden hebben. Het is vreselijk dat christenen op grond van deze teksten de schuld bij‘de anderen’ gelegd hebben en dat zij zich bovendien het recht toegeëigend hebben die ‘anderen’ daarvoor te straffen.
Straf voor schuld: daarmee komen we bij een tweede aspect van het probleem. Matteüs schrijft zijn evangelie na de grote catastrofe van het jaar 70, toen Jeruzalem door de Romeinen werd verwoest. Het lijdt geen twijfel dat Matteüs de verwoesting van Jeruzalem interpreteert als een straf van God: ‘...op u zal neerkomen al het onschuldig bloed dat op aarde vergoten is...’ (23,35). Hij doet hier niets anders dan zich aansluiten bij de algemene opvatting van de joden, die de ondergang van de stad interpreteerden als een straf voor het niet onderhouden van de Tora. Maar is het lijden een straf voor de zonde? In de Bijbel zelf klinkt luid protest tegen deze opvatting. Op de vraag naar het waarom van het lijden hebben wij geen antwoord. Ook Jezus geeft geen antwoord op die vraag. Hij toont ons wel een zinvolle weg, in de manier waarop hij zijn lijden en sterven heeft doorleefd.
De liturgie van de komende dagen laat ons de laatste week van Jezus meebeleven in een groots opgezet dramatisch spel. Wij mogen met hem afdalen, via de voetwassing en het gebroken brood op Witte Donderdag, tot in de nacht van het graf op Goede Vrijdag, om met hem op te staan in de kracht van Gods trouw aan hem op Pasen. Kernachtig wordt dat alles vandaag al verwoord in de tweede lezing, in de hymne uit de Filippenzenbrief (tweede lezing): ‘Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen... Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam verleend die boven alle namen is’. Wij vieren vandaag de vernedering én de verheffing van de Mensenzoon. Hij is trouw gebleven aan zijn levensweg van liefde tot het uiterste en heeft daarbij de dood niet geschuwd. Hij is niet halverwege omgekeerd, maar heel de weg gegaan. Met Pasen zal blijken dat dit geen doodlopende weg is.
Paul Kevers