Vandaag lezen we het verhaal over de roeping van de tollenaar Matteüs. Tenminste, zo heet die tollenaar in het Matteüsevangelie. Bij Marcus en Lucas staat hetzelfde verhaal, maar daar heet de tollenaar Levi. Gaat het om een en dezelfde persoon, die een dubbele naam droeg? Is het de evangelist zelf? In de traditie heeft men die beide vragen positief beantwoord, maar eigenlijk weten wij daar niets met zekerheid over. En het is ook niet van belang om het verhaal goed te verstaan.
Jezus ziet een man bij het tolhuis zitten en roept hem. Het roepingsverhaal is kort en radicaal. Jezus zegt: ‘Volg mij’. De geroepene staat onmiddellijk en zonder commentaar op en wordt volgeling van Jezus. De roeping van de eerste vier leerlingen, de twee broederparen Simon en Andreas en Jakobus en Johannes, verloopt op precies dezelfde manier. Jezus zegt tot hen: ‘Volg mij’, en die vissers laten op staande voet hun netten en boten in de steek en volgen Jezus (zie Matteüs 4,18-22 en Marcus 1,16-20). Volgeling van Jezus worden betekent volgens deze verhalen een totale ommekeer, een radicale breuk met het verleden.
Jezus en zijn leerlingen gaan in het huis van Matteüs aan tafel en ‘vele tollenaars en zondaars’ nemen deel aan de maaltijd. Tollenaars waren mensen die voor rekening van de Romeinen een belasting hieven op het gebruik van de wegen. Die tol werd door de Romeinen verpacht: de tollenaar moest een bepaald bedrag vooruitbetalen en natuurlijk probeerden de tolgaarders nadien zoveel mogelijk winst te maken. Het is dus heel begrijpelijk dat de tollenaars door de bevolking geminacht werden: zij collaboreerden met de Romeinse bezetter en vaak verrijkten zij zich ook nog persoonlijk. Zij werden beschouwd als ‘zondaars’ bij uitstek. De reactie van de Farizeeën laat dan ook niet op zich wachten: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’ vragen zij aan Jezus’ leerlingen.
Het antwoord wordt door Jezus zelf gegeven en bestaat uit drie delen. Eerst een spreekwoord: ‘Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken’. Vervolgens een citaat uit de profeet Hosea: ‘Ik wil liever barmhartigheid dan offers’. Ten slotte de conclusie van Jezus: ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars’.
Door aan tafel te gaan met tollenaars en zondaars, heeft Jezus een gevoelige snaar geraakt. In de joodse traditie is iedere maaltijd een religieus gebeuren, waarbij men God dankt voor de gave van het leven, voor het voedsel door de aarde voortgebracht, voor de vriendschap tussen de aanwezigen. Een maaltijd schept verbondenheid. Maar in Jezus’ tijd was de sacrale joodse maaltijd vaak een bron van discriminatie geworden. Men ging niet zomaar met gelijk wie aan tafel, zeker niet met vreemdelingen of zondaars. Vandaar de verontwaardiging van de Farizeeën: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’. Jezus wilde de tafelgemeenschap in haar oorspronkelijke betekenis herstellen: als een teken van Gods verbond met de mensen. Daarom wilde hij met iedereen aan tafel gaan, ook met tollenaars en zondaars. Jezus doorbreekt grenzen en schept verbondenheid. Hij wil duidelijk maken dat iedereen welkom is bij God. Ook zondaars kunnen zich bekeren en volgeling van Jezus worden.
Als eerste lezing is de tekst van Hosea gekozen waar Jezus zijn citaat vandaan heeft gehaald. Het volk zegt dat het zich wil bekeren, maar de profeet heeft niet veel vertrouwen in de duurzaamheid van die bekeringswil. Gods liefde is zo betrouwbaar als de dageraad en de weldoende lenteregen, zegt hij. Maar de liefde van het volk is voorbijgaand ‘als de morgennevel, als de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt’. Vrome liturgie is zinloos en schijnheilig als ze niet gepaard gaat met daden van gerechtigheid en liefde: ‘Vroomheid wens ik, geen offergaven, en liefde voor God, meer dan brandoffers’. Die laatste zin citeert Jezus in zijn antwoord aan de Farizeeën. Hij verwijt hun dat zij zich verschuilen achter de letter van de Wet en zich beter achten dan de anderen, maar geen barmhartigheid en liefde betonen voor mensen die zwakker zijn dan zij.
Paul Kevers