De evangelielezing van deze zondag is het slot van de ‘zendingsrede’ van Jezus. De perikoop bevat een reeks uitspraken van Jezus met uiteenlopende strekking en inhoud. Het eerste deel van de lezing sluit nog aan bij de verzen die er in de zendingsrede onmiddellijk aan voorafgaan. Daarin maakt Jezus aan zijn volgelingen duidelijk, dat hun apostolisch werk ernstige consequenties kan hebben. Het kan zorgen voor verdeeldheid binnen een familie. Het kan immers gebeuren dat sommige gezinsleden zich verzetten tegen het evangelie. En dan komt men soms voor een verscheurende keuze te staan, die doorklinkt in de woorden van Jezus: ‘Wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mij niet waardig’.
De uitspraken van Jezus in het tweede deel van de lezing zijn met elkaar verbonden door de trefwoorden ‘opnemen’ en ‘loon’: ‘Wie u opneemt, neemt mij op ... Wie een profeet opneemt, omdat het een profeet is, zal ook het loon van een profeet ontvangen ... Wie een van deze kleinen al was het maar een beker koud water geeft omdat hij mijn leerling is, voorwaar, Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan’.
De keuze van de eerste lezing nodigt ons uit, onze aandacht vooral te richten op dat laatste deel van de evangelielezing. In de eerste lezing gaat het immers over een vrouw die ‘een profeet opneemt’ en daarvoor ‘een loon ontvangt’. Een welgestelde vrouw uit Sunem richt met instemming van haar man een permanent gastvertrek in voor de profeet: geen voorlopig verblijf in vergankelijk materiaal, maar een gemetselde kamer met alle comfort. Daarmee beoefent de vrouw de deugd van gastvrijheid, maar wil ze ook de zegen, die van een man Gods uitgaat, blijvend aan haar huis verbinden. En die zegen zal ze inderdaad ondervinden, want Elisa wil haar belonen. Eerst stelt hij voor, zijn politieke invloed bij de koning of de legeroverste aan te wenden, maar daaraan heeft deze vrouw geen behoefte (zie de weggelaten verzen 12-13). Gechazi, de dienaar van Elisa, heeft echter een beter idee: ‘Zij heeft helaas geen zoon en haar man is oud’. Dan doet Elisa aan de vrouw dezelfde belofte als destijds de godsgezanten aan Abraham en Sara: ‘Volgend jaar om deze tijd zult u een zoon aan uw hart drukken’ (vergelijk Genesis 18,10). Net als Sara kan de vrouw dit eerst niet geloven, maar toch wordt de belofte van Elisa op wonderbare wijze werkelijkheid (zie de verzen 16b-17, die onmiddellijk op de lezing volgen).
Doen de vrouw van Sunem en de mensen uit de evangelielezing het dan voor het loon? Bieden ze gastvrijheid aan, enkel in de hoop iets terug te krijgen? Het lijkt alleen maar zo. Natuurlijk krijgt degene die geeft, meestal iets terug. En natuurlijk was gastvrijheid aanbieden in de toenmalige samenleving – zonder sociale voorzieningen en met hachelijke reisomstandigheden – een zaak van levensbelang. Door gastvrijheid aan te bieden hoopte men de onbekende reiziger of de vreemdeling gunstig stemmen, en eventuele kwade bedoelingen af te wenden. Men hoopte vooral ook zelf gastvrijheid te ontvangen wanneer het nodig was.
Toch is de gastvrijheid van de vrouw van Sunem in wezen belangeloos. En de beker koud water wordt zonder berekening gegeven. Dat de gever dan achteraf wat terugkrijgt, is niet zo vreemd. Maar die beloning is niet het motief voor de inzet. ‘Wie zijn leven verliest, zal het vinden’, zegt Jezus. Het gaat erom, het zwaartepunt van zijn leven buiten zichzelf te leggen. Wie opkomt voor zijn medemens, wie belangeloos zorg draagt voor de zwaksten, die zal zelf ook Gods trouw ervaren.
Paul Kevers