De profeet Ezechiël werd door de Eeuwige als wachter aangesteld. Hij is verantwoordelijk voor het volk Israël. Als hij een boosdoener niet waarschuwt voor zijn gedrag, dan sterft die boosdoener wel om eigen schuld, maar zijn bloed wordt door God van Ezechiël opgeëist, aldus de eerste lezing. Ezechiël geeft in deze tekst blijk van een scherp bewustzijn van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid als profeet.
Zoals de profeet verantwoordelijk is voor heel het volk, zo is ieder mens verantwoordelijk voor zijn medemens. Het verhaal van Kaïn en Abel gaat over die verantwoordelijkheid, die door Kaïn wordt geweigerd: ‘Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?’ (Genesis 4,9). Die vraag staat in schril contrast met de overtuiging van Ezechiël. Kaïn kijkt niet eens meer om, terwijl hij toch het bloed van Abel, zijn broer, zelf heeft vergoten. Ezechiël heeft helemaal geen bloed vergoten, en toch weet hij zich verantwoordelijk als hij zijn mond niet tijdig opent.
Hoeder van je broeder zijn. Daarover gaat het ook in de evangelielezing. In onze doorlopende lezing van het Matteüsevangelie zijn we aanbeland bij de vierde grote toespraak van Jezus. Na de bergrede (Matteüs 5–7), de zendingsrede (10) en de parabelrede (13) krijgen we nu de ‘kerkelijke rede’ of ‘gemeenschapsrede’. Jezus spreekt over het leven van de gemeente en de daarin voorkomende moeilijkheden, wantoestanden en gevaren. De toespraak bestaat uit twee delen: de verzen 1-14 gaan over de ‘kleinen’ en de verzen 15-35 hoofdzakelijk over de vergevensgezindheid. Vandaag lezen we de eerste perikoop van het tweede deel.
Het gaat over de vraag, hoe de gemeenschap moet omgaan met een christen die in het openbaar een fout heeft begaan. Natuurlijk heeft een gemeenschap het recht, leden uit te sluiten, maar voordat men tot die ultieme stap overgaat, moet men al het mogelijke doen om de afdwalende broeder te redden, te behouden of weer op te nemen in de gemeenschap. In de lezing worden de stappen beschreven die men daartoe moet ondernemen. Eerst een gesprek onder vier ogen. Dat zal vaak al leiden tot een beter begrip van de situatie. Daarna zal men zo nodig een of twee personen erbij halen. Niet om bezwarende getuigen tegen de zondaar te hebben: de zondaar moet immers zelf naar de getuigen luisteren. Ze zijn er dus om de autoriteit van de vermaner te vergroten. Met twee of drie zullen zij proberen de zondaar ervan te overtuigen dat zijn gedrag fout was.
Pas wanneer hij ook naar hen niet wil luisteren, wordt de zaak met het oog op een openlijke beslissing aan de hele gemeente overgedragen. Wie iedere toenadering vanuit de christelijke gemeenschap afwijst, plaatst zichzelf erbuiten. Dat kan dan enkel nog officieel geconstateerd worden. De uitspraak: ‘Beschouw hem dan als een heiden of een tollenaar’ kan als zodanig moeilijk van Jezus zelf komen. Jezus was immers de ‘vriend van tollenaars en zondaars’ (zie Matteüs 11,19). We kunnen die uitdrukking beter op rekening van de joods-christelijke gemeente schrijven. De tekst van Matteüs lijkt een uitbreiding van het meer oorspronkelijke Jezuswoord in Lucas 17,3: ‘Als uw broeder gezondigd heeft, geef hem een berisping; toont hij dan spijt, vergeef het hem’.
In de tweede lezing schrijft Paulus: ‘Uw enige schuld blijve de onderlinge liefde. ... Bemin uw naaste als uzelf’. De ‘broederlijke vermaning’ moet dus altijd in de context van de naastenliefde gebeuren en niet ontaarden in betutteling of bemoeizucht. De naaste ‘is als jijzelf’: wie een broederlijke vermaning geeft, moet bereid zijn er ook zelf een te ontvangen en ter harte te nemen. In de evangelielezing wijst Jezus er bovendien op dat onze tussenmenselijke relaties ook bij God (‘in de hemel’) bindend zijn. Als ‘hoeder van je broeder’ ga je zelf nooit vrijuit.
Dat heel de handelwijze die in de evangelielezing beschreven wordt een positieve bedoeling heeft, namelijk de dwalende medemens met alle middelen trachten te redden, blijkt uit het slot van de lezing. Het laatste woord is eensgezindheid. Waar twee of drie verenigd zijn in Jezus’ naam, daar is Hij in hun midden.
Paul Kevers