Camiel Lapon vertelt over zijn geboortedorp …
----
Foto: expo Gilsoul hersteld
Vermelding: Zicht op dorp en kerk vóór de oorlog (landschapschilder Victor Gilsoul – ei-gendom stad Parijs)
-----
----
Foto: Von_Bermuth_3.134_kerk_Mannekensvere[1]
Vermelding: Mannekensvere tijdens de oorlog. Van de kerktoren bleven alleen twee pijlers (midden van de foto) over (Von Bernuth – collectie Ronny Van Troostenberghe)
-----
----
Foto: expo img20230712_09362862
Vermelding: De heropgebouwde kerk (collectie Ronny Van Troostenberghe)
-----
Geboren in de 19de eeuw
Ik ben geboren in Mannekensvere op 10 november 1897.
We woonden toen in de Bisbrugge-straat in Mannekensvere op een hoeve tegen de Bisbrug over de Vladslovaart.
Mijn ouders hebben 14 kinderen gehad, van wie er 6 vroeg gestorven zijn.
Vóór de eerste oorlog telde Mannekensvere ongeveer 450 inwoners.
Arthur Coene was er burgemeeester en E.H. Vandecasteele was de pastoor.
De garde kondigde vanop de roepsteen op het kerkplein na de hoogmis de berichten af voor de dorpsbewoners.
Henri Lepez was de schoolmeester en de koster.
De kermis op de tweede zondag van juli werd duchtig gevierd.
Er stond een paardemolen en een paar kramen.
Er werden loopkoersen gehouden voor de jeugd alsook zaklopen, hoepelen en mastklimmen.
In enkele cafés werd er gedanst en overal veel gedronken!
En toen brak de oorlog uit
Op dinsdag 4 augustus 1914 zijn de Duitse troepen België binnengerukt.
Alle gewezen sol-daten tot 40 jaar werden onder de wapens geroepen.
Ongeveer twee maanden later zagen we steeds Belgische troepen passeren die zich terugtrokken, het was meestal voetvolk.
Op zekere dag installeerden zich een honderdtal mannen op onze hoeve en vertelden ons dat de Duitsers op komst waren en dat ze de brug zouden verdedigen.
Felix en ik, samen met Staf en Oscar Verhelst en Louis Seys, probeerden naar Frankrijk te vluchten, maar toen wij in de weiden waren hoorden we een hevige ontploffing.
We zagen de kerktoren van Mannekensvere ineenstorten.
Dat was het werk van de genie van ’t Belgisch leger die alle uitkijkposten vernielde.
We zagen steeds meer troepen en hoorden in de verte ontploffingen.
Een paar onder ons durfden niet meer verder en dan zijn we teruggekeerd.
Oorlog in ons dorp
Op zondag 18 oktober in de vroege ochtend hoorden we schieten.
We moesten allen in onze kelders blijven.
Het schieten werd steeds maar erger en meer en meer werden er gekwetste soldaten in onze keuken binnengebracht.
We zagen plots van alle kanten uit de richting Slijpe en Sint-Pieterskapelle Duitse soldaten komen, die met honderden in drie grote rijen naast elkaar liepen door de velden en landerijen.
Samen met hun wapens droegen ze telefoonpalen, planken en lange stokken om over de grachten en vaarten te komen.
Ze liepen 50 meter vooruit, lieten zich vallen en schoten op alles wat bewoog.
Op hetzelfde moment liep de laatste rij soldaten tot op 50 meter voorbij de eerste rij, liet zich vallen en begon eveneens te schieten en zo verder.
Ons huis met kogels doorzeefd
De Belgische troepen op de hoeven dreigden omsingeld te worden en trokken al vechtend terug.
Twee voorposten vonden geen uitweg meer en vluchtten binnen in onze keuken.
De Duitsers hadden dit gezien en er volgde een regen van kogels die onze vensters en deuren doorzeefden.
Wij waren zeer bang; moeder bad luid de litanie van alle heiligen, waarop wij met “Bid voor ons” antwoordden.
We hoorden de Duitsers de achterdeur inslaan en binnenstormen.
Gelukkig gaven de twee Belgen zich over; hun wapens werden in de vaart geworpen.
Ze kregen van de Duitsers elk een sigaar, omdat ze zich overgegeven hadden.
Onze hoeve als veldhospitaal
In ons huis werd er een veldhospitaal ingericht; er werden een vijftigtal gekwetsten binnen-gebracht.
’s Namiddags kwamen uit de Zwarteweg de kanonnen, batterijen, wagens en allerlei oorlogsmateriaal getrokken door paarden voorbij.
Er werd hard gevochten, overal zagen we vummen (stromijten) die in brand stonden.
De beschieting werd steeds maar erger en na een vijftal weken, het was dan november, moesten we allen weg van de Duitsers.
Onze gebouwen waren toen al erg beschadigd, de helft van de pannen was eraf.
We mochten niets meedoen, behalve enkele klederen op een kortewagen (kruiwagen) …
Vier jaar later weer naar huis
Toen de oorlog gedaan was, heerste er grote spanning bij de gezinnen die soldaten hadden.
Je mag niet vergeten dat er niemand nieuws had gekregen van hen gedurende die vier jaren.
Wij wisten dus ook niet waar onze broers Henri of Gusten waren, of ze leefden, gekwetst of dood waren.
Toen de eerste mannen aankwamen, werden deze met grote vreugde verwelkomd en overstelpt met vragen naar bekenden.
Je kunt je dan ook de thuiskomst voorstellen na twee dagen van Henri en tien dagen later van Gusten bij ons thuis; eerst al die lange onzekerheid en dan plots die grote vreugde, dat is niet te vertellen!
Onze boerderij, een echte puinhoop
’s Morgens vroeg vertrokken we te voet langs de Zwarteweg richting Mannekensvere.
Vanaf de Slijpesteenweg waren al de boerderijen beschadigd en stuk geschoten.
De Zwarteweg werd steeds maar minder herkenbaar door de vele obusputten.
Langzaam geraakten we aan de vaart waar wij gewoond hadden; de brug was vernietigd en met bijgehaalde planken konden we over wat eens de vaart was geweest.
Daar stonden we dan aan onze boerderij, een echte puinhoop, geen muur van een meter hoog was geheel gebleven.
Het dorp, een grote woestenij
Wanneer we op een hoop gingen staan en keken in de richting van wat eens ons dorp was, zagen we niets anders dan een vlakte van verwoesting met obusputten, waterplassen, omgewoelde aarde begroeid met onkruid, distels en riet, overal riet van soms wel twee meter hoog.
Waar eens gebouwen stonden, bleven er slechts puinhopen over, slechts hier en daar stond er nog een dode boom …
Houten barakken en nieuwe woningen
Er werd een dienst oorlogsschade en wederopbouw opgericht.
Door het ‘Koning-Albertfonds’ waren er een 20-tal barakken (houten woningen) geplaatst voor de teruggekeerde Mannekensverenaars.
Onder meer stond er een grote barak op de hoek van de Bisbruggestraat en de Rattevallestraat die diende als voorlopige kerk.
Stilaan begon men hier en daar op te ruimen en nieuwe huizen te bouwen.
Het land werd opgeruimd en geëffend door tussenkomst van de Belgische Boerenbond ten gunste van de eigenaars.
De dienst oorlogsschade en wederopbouw deed de schatting en maakte zelf de plannen voor de nieuwe huizen.
De eigenaars moesten alleen maar ondertekenen.
Het geld van de oorlogsschade werd rechtstreeks uitbetaald aan de aannemer die het huis bouwde.
Zo kreeg men voor een oud huis van vóór de oorlog een nieuw in de plaats?
Vergeet het maar!
Als de schadevergoeding niet volstond, moest je de rest maar zelf betalen.
Ofwel werd het huis kleiner gebouwd of, zoals bij ons, is er een enkele woning gebouwd in plaats van de tweewoonst.
Jo Broucke
Bron: Camiel Lapon vertelt … Vraaggesprek door André Lapon, Heembibliottheek ‘Bachten De Kupe, nr 26/1987