De eerste lezing is genomen uit de ‘Tweede Jesaja’, een profeet die optrad tegen het einde van de Babylonische ballingschap. De opkomst van het Perzische Rijk was een teken van hoop voor de joodse ballingen. Aan de Babylonische heerschappij kwam een einde en de joden zouden naar hun land kunnen terugkeren. De lezing beschrijft de roeping van de Perzi-sche koning Cyrus, zoals de profeet zich die voorstelde. De profeet gaat zover dat hij deze Perzische koning, die de Babyloniërs overwon en de joodse ballingen naar Jeruzalem liet terugkeren, ‘de gezalfde van de Heer’ noemt. Cyrus wordt hier dus gelijkgesteld met de ko-ningen uit de dynastie van David en krijgt bijna messiaanse allures.
Uit het vervolg van de lezing blijkt hoe de profeet dat bedoelt. De Eeuwige is de enige God van de wereld. Hij gebruikt Cyrus als werktuig om zijn uitverkoren volk te bevrijden. Daar-door zullen alle volken weten dat er buiten de Ene geen god is. Toch blijft het een gedurfde visie van de profeet, dat hij een heidense machthebber aankondigt als bevrijder in Gods Naam. Volgens de profeet staat de politieke actie van de Perzische koning in dienst van Gods heilsplan. De lezing is gekozen in verband met de uitspraak van Jezus in het evangelie van deze zondag: ‘Geeft aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt’.
De Farizeeën sturen hun leerlingen op pad, samen met de Herodianen. Twee groepen die lijnrecht tegenover elkaar stonden, en die zeker op het gebied van belasting aan de Romeinse keizer een tegengestelde opinie hadden. De Herodianen waren Romeinsgezind, de Farizeeën anti-Romeins, hoewel niet revolutionair zoals de zeloten. Samen gaan ze doordacht te werk om Jezus in de val te laten lopen. Ze beginnen hun interventie met een zin waarmee ze een grote waardering voor hun gesprekspartner veinzen: ‘Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert. Gij stoort u aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen’. En vervolgens stellen ze een vraag, die Jezus onvermijdelijk in de val moet lokken. Want of hij nu ‘ja’ of ‘nee’ antwoordt, hij zal in elk geval de woede opwekken van een deel van zijn gehoor.
Maar Jezus doorziet hun valstrik. Hij laat zijn tegenstanders zelf in de kuil vallen die zij voor hem gegraven hebben. Hij kiest geen partij vóór of tegen het Romeinse systeem maar vraagt dat men hem een belastingmunt laat zien. Het feit alleen al dat zijn gesprekspartners de Romeinse munt op zak hebben, compromitteert hen. Daardoor bewijzen zij immers dat zij in de praktijk zelf meedoen met het Romeinse systeem. We mogen veronderstellen dat dit verhaal zich in de tempel van Jeruzalem afspeelt (zie Matteüs 21,23). In de offerkist van de tempel mocht geen Romeins geld terechtkomen. Het moest omgeruild worden tegen He-breeuws geld – vandaar de geldwisselaars in de tempel. Het Romeinse geld kon dienen om belasting te betalen, maar voor ‘de zaken van God’ was het ongeschikt.
Jezus zet zijn gesprekspartners schaakmat met zijn beroemde doch raadselachtige antwoord: ‘Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt’. Over de be-tekenis van die uitspraak werden hele boeken volgeschreven. Lang heeft men in dat Jezus-woord een basis gezien voor de scheiding tussen kerk en staat. Het is echter hoogst onwaar-schijnlijk dat Jezus iets dergelijks bedoelde. Veel waarschijnlijker is, dat zijn antwoord een dosis ironie bevat. In de aard van: als je dan toch de munt van de keizer als echt geld ge-bruikt, dan moet je je ook maar schikken naar zijn belastingsysteem!
In ieder geval ligt het zwaartepunt van Jezus’ antwoord in de laatste zin: geef aan God wat God toekomt. Slechts onder die voorwaarde kun je aan de keizer het zijne geven. Zoek eerst het Koninkrijk van God en de gerechtigheid die daar bij hoort. Hoe je ook met ‘de keizer’ (het staatsbestel, de politiek...) verkiest om te gaan – als tegenstander, als revolutionair, als loyaal medewerker – doe het altijd zo dat ‘de gerechtigheid van het koninkrijk van God’ kan doorbreken.
Paul Kevers