De vierde paaszondag wordt ook wel de ‘zondag van de goede herder’ genoemd. De evange-lielezing is ieder jaar uit het tiende hoofdstuk van Johannes genomen, waarin Jezus zichzelf ‘de goede herder’ noemt. In dit A-jaar lezen we de eerste tien verzen van dat hoofdstuk. Je-zus gebruikt beelden uit het herdersleven. In het eerste deel van de evangelielezing wordt die beeldspraak uitgelegd. Meerdere herders brengen ’s avonds hun kudden binnen één omhei-ning samen, en vertrouwen ze toe aan een wachter voor de nacht. In die omheining is een deur, waardoor de herders ’s morgens naar binnen worden gelaten om ieder hun kudde op te halen. De schapen herkennen hun herder aan zijn stem. Als de herder zijn schapen roept, gaan die mee naar buiten, maar een vreemde zullen ze niet volgen. Wie ’s nachts een schaap wil roven, komt natuurlijk niet door de deur naar binnen, maar klimt over de omheining.
In het tweede deel van de lezing maakt Jezus een eerste toepassing van die beeldspraak op zichzelf: ‘Ik ben de deur’. Alleen langs die weg komt de ware herder naar binnen, alleen langs die weg vinden de schapen goede weidegrond, leven en toekomst. Je moet ‘door Jezus’ in- en uitgaan: de weg naar het leven loopt via hem. De weg waarlangs de rover naar binnen en het geroofde schaap naar buiten gaat, niet door de deur maar over de omheining, is een weg die naar de dood voert. Verder in het tiende hoofdstuk van Johannes zal Jezus een twee-de toepassing maken: ‘Ik ben de herder’. Die toepassing klinkt eigenlijk al door in de laatste zinnen van de evangelielezing, waar Jezus zichzelf vergelijkt met de dieven en rovers die vóór hem zijn gekomen. ‘Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten, en wel in over-vloed’.
De evangelist Johannes is niet de eerste die deze beeldspraak uit het herdersleven gebruikt. In het Oude Testament worden de leiders van het volk herders genoemd, en sommigen zijn het ook letterlijk geweest. Mozes bijvoorbeeld, die de schapen van zijn schoonvader hoedde toen hij door de Eeuwige werd geroepen en die later bereid was zijn leven te geven voor zijn volk. Of David, die de schapen hoedde terwijl zijn vader Isaï zijn zeven andere zonen aan Samuël voorstelde, en die achter de schapen vandaan gehaald werd om door de profeet ge-zalfd te worden. Of Amos, die getuigde: ‘Ik ben veehoeder... Maar de Heer heeft mij achter mijn beesten weggehaald en heeft mij gezegd: Ga als profeet naar mijn volk Israël’. In de Psalmen wordt God zelf de ware herder van zijn volk genoemd: ‘De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets’ (Psalm 23, de antwoordpsalm van deze zondag).
De profeten verwijten de leiders die hun volk uitbuiten dat zij slechte herders zijn en dat God zelf in hun plaats zijn volk zal weiden. ‘Wee de herders door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen – godsspraak van de Heer’ (Jeremia 23). ‘Wee de herders van Israël die zichzelf weiden... U eet het vet, u kleedt zich met de wol, u slacht het vetge-meste dier, maar u weidt de beesten niet... Zo spreekt de Heer God: Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen' (Ezechiël 34). En zo wordt Jezus in het Johannesevangelie als ‘goede herder’ geplaatst tegenover de dieven en de rovers, die komen om te stelen en te vernietigen. Jezus daarentegen is de herder die oog heeft voor de schapen. Hij is de deur die naar het ware leven leidt. Hij geeft zijn leven opdat wij leven hebben in overvloed.
De gedachte dat God aan de mensen leven in overvloed wil schenken, loopt als een rode draad door alle Schriftteksten van deze zondag. De drieduizend mensen die zich op het woord van Petrus bekeren, vinden een nieuwe leefgemeenschap rondom de levende Christus (eerste lezing). De dichter van antwoordpsalm 23 bezingt God als zijn herder, die hem de weg naar het leven wijst. Zelfs het lijden kan een weg naar het volle leven zijn, leert ons de tweede lezing: door Jezus’ striemen zijn wij genezen, hij heeft onze zonden op het kruishout gedragen, opdat wij zouden leven voor de gerechtigheid. ‘Want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen’.
Paul Kevers