Wie vandaag door Wilskerke wandelt en het charmante Sint-Gulielmuskerkje binnenstapt, maakt een diepe duik in de geschiedenis. De reizende tentoonstelling Tussen Land en Zee neemt je mee op een reis door 12.000 jaar kustgeschiedenis. Het is een verhaal van stormen en getijden, van mensen die het water trotseren, maar ook van een landschap dat voortdurend verandert, tot op vandaag. Het verdwenen eiland Testerep, dat zich uitstrekte van Oostende tot Westende, krijgt een centrale plaats, maar de tentoonstelling vertelt veel meer: hoe de Vlaamse kust ooit ontstond en hoe verrassend actueel het verleden vandaag wel is.
Een grillige kustlijn
Wat deze tentoonstelling zo boeiend maakt, is dat ze ons doet beseffen dat de kustlijn die wij vandaag kennen helemaal niet vanzelfsprekend is. De dijken, havens, appartementen en badsteden geven de indruk dat de grens tussen land en zee onwrikbaar vastligt. Maar dat is een illusie. Eeuwenlang waren de kustvlakten een landschap van slikken, schorren, geulen, eilanden en moerassen. Zee en land voerden er een wisselende strijd, waarbij de grens voortdurend verschoof.
De Noordzee staat droog!
Nog indrukwekkender is het feit dat de Noordzee 12.000 jaar geleden niet bestond zoals wij haar vandaag kennen! Op het einde van de laatste ijstijd zat toen veel water opgeslagen in de ijskappen en stonden grote delen van de Noordzee droog! Je kon vanuit Middelkerke te voet naar Engeland! Op die uitgestrekte vlakte waren jagers, verzamelaars en vissers actief. Pas toen het klimaat opwarmde en het ijs smolt, steeg de zeespiegel langzaam. Het water overspoelde geleidelijk de laaggelegen gebieden en vormde uiteindelijk de Noordzee. Rond 7.000 v. Christus bereikte de zee onze huidige kusten, die sindsdien onder invloed staan van eb en vloed.
Slikken, schorren en het eiland Testerep
Rond 4.000 v. Chr. lag er een eiland voor onze middenkust. Ergens tussen Nieuwpoort en Bredene stak het eiland Testerep boven het zeewater uit. Het was een barrière-eiland: een strandwal met aan weerszijden een zeegat. Het kustlandschap werd doorsneden door getijdengeulen, die via die zeegaten in verbinding stonden met de zee. Zo konen eb- en vloedwater het land in-en uitstromen. Langs deze geulen lagen slikken, die bij vloed elke dag twee keer overspoeld werden met zeewater. Telkens bleef er een laag klei en slib achter, die steeds hoger werd en bij vloed niet meer onder water liep; dit noemen we een schorre. Daar groeiden zoutminnende planten en ontwikkelden zich later zoetwatermoerassen en uitgestrekte veengebieden.
Boeren, herders en zoutwinning
Tussen 2000 en 500 v. Chr. leefden op de hogere zandige ruggen aan de rand van het veen kleine gemeenschappen van boeren en herders. Op die droge gronden verbouwden ze graan en kweekten ze runderen en schapen. In de Romeinse periode werd in het gebied veen en zout gewonnen. Veen diende als brandstof voor de zoutwinning, een belangrijke Romeinse handelsactiviteit. Langs de oevers van de Spermaliegeul (vandaag de Zwarteweg langs de E40) werden een 30-tal zoutwinningsoventjes gevonden. Maar door de stijgende zeespiegel kwam de kuststreek opnieuw onder sterke invloed van de getijden te staan.
De graven van Vlaanderen
In de vroege middeleeuwen namen de schapenboeren het langzaam opslibbende schorrengebied opnieuw in en zochten boeren hogere en drogere oorden op en bouwden hun boerderijen op woonheuvels of terpen. Leffinge was zo’n terpnederzetting. Toen kwamen de graven van Vlaanderen op het politieke toneel. Schorren, duinen en woeste gronden eigenden ze zich toe. Om intensiever aan landbouw te kunnen doen bouwden ze op grote schaal dijken. De Testerepgeul werd afgedamd en ingepolderd om landbouwgrond te winnen. Hierdoor sloot het eiland Testerep geografisch aan bij het vasteland en was het niet langer een echt, geïsoleerd eiland. De graven van Vlaanderen richtten op de gewonnen grond grote schaapsboerderijen en landgoederen op, die ze dan afstonden aan vazallen of aan de tempeliers, zoals het Groot Tempelhof in Slijpe.
Testerep verdwijnt in de zee
Hoewel het eiland nu verbonden was met het vasteland, bleef de zijde aan de zee zeer kwetsbaar. De natuurlijke kustbescherming was fel verzwakt door grootschalige turf- en zoutwinning en het afgraven van duinen. Dat deel van Testerep kreeg de genadeslag in de 14e eeuw. Hevige stormvloeden, zoals de Sint-Clemensvloed in 1334 en de Sint-Vincentiusvloed in 1394, trokken grote delen van de kust de zee in. Middeleeuws Oostende werd zelfs volledig verzwolgen door de Noordzee … en meer landinwaarts heropgebouwd achter een beschermende duinengordel.
Natuurlijke zeewering wordt een muur van beton
De dijkinfrastructuur gaf de kustbewoners een gevoel van veiligheid en stimuleerde de uitbreiding van akkerbouw en nederzettingen. Lange tijd vond men aan onze kust vooral vissers- en landbouwdorpen. Tot in het begin van de 19e eeuw, toen rijke toeristen de kust ontdekten om te genieten van zon, zee en strand. Tussen de twee wereldoorlogen vond ook de arbeidersklasse de weg naar de kust. Beetje bij beetje werd de Belgische kustlijn volgebouwd. Een groot deel van de duinengordel werd weggegraven, vastgelegd of verdrongen door dijken, boulevards en appartementsblokken. Deze muur van beton houdt wel het zeewater tegen, maar de vraag is of de dijken sterk genoeg zijn om het hoofd te bieden aan de erosie en de stijgende zeespiegel.
Wat brengt de toekomst?
Wil je een antwoord op deze vraag en veel andere vragen? Kom dan naar de tentoonstelling in de kerk van Wilskerke en je zult op een andere manier naar de kust kijken. De tentoonstelling is een organisatie van Provincie West-Vlaanderen en is te bezichtigen in het weekend van 27-28 juni en tijdens de zomervakantie in juli en augustus, van dinsdag tot zondag, telkens van 11 tot 17 u. De toegang is gratis.
Jo Broucke