De parabel in de evangelielezing gaat over een feestmaal dat, na heel wat hindernissen en tegenwerking, uiteindelijk toch doorgaat. Lang van tevoren nodigt de koning zijn gasten uit voor het bruiloftsfeest van zijn zoon. Zij kunnen zich dus tijdig vrijmaken – ‘maar zij wilden niet komen’, horen wij al in het begin van het verhaal. Als alles klaar is voor het feestmaal, herhaalt de koning zijn uitnodiging. Maar de gasten gaan onbekommerd hun eigen wegen, en de dienaars die de uitnodiging hadden overgebracht, worden zelfs mishandeld en vermoord. Nu last de koning een strafexpeditie in, en vervolgens stuurt hij voor de derde keer dienaren op pad. Ze moeten nu iedereen uitnodigen die ze op straat tegenkomen, en dat doen ze ook. Ze brengen alle mensen mee die ze aantreffen, ‘slechten zowel als goeden’. Deze laatste woorden bereiden ons voor op het laatste deel van de parabel. Een van die ‘slechten’, een man zonder bruiloftskleed, wordt door de koning buitengeworpen in de duisternis, waar ‘geween zal zijn en tandengeknars’. Die uitdrukking verwijst naar het laatste oordeel en de eeuwige straf (zie Matteüs 8,12; 13,42.50; 24,51; 25,30).
Deze parabel roept ongetwijfeld vragen op. Hoe kon die man, die onvoorbereid van straat naar binnen was gehaald, een bruiloftskleed aanhebben? En waarom al dat geweld? De die-naars van de koning worden mishandeld en gedood, de koning neemt wraak, laat de moorde-naars ombrengen en hun stad in brand steken... Om dat te begrijpen moeten we naar de con-text kijken waarin Matteüs deze parabel plaatst, en ons inleven in de tijd waarin hij zijn evangelie schreef.
De parabel hangt nauw samen met de twee voorgaande, die we de vorige zondagen lazen, over de twee zonen en over de misdadige wijnbouwers. Jezus vertelt al die parabels terwijl hij in de tempel een debat voert met de hogepriesters en de oudsten. Het conflict wordt acuut. Jezus verwijt de joodse leiders hun ongeloof. De overeenkomst met de voorafgaande parabel over de misdadige wijnbouwers is opvallend. Ook daar werden de dienaars ‘vastge-grepen, mishandeld en gedood’ en is er sprake van een strafexpeditie vanwege de eigenaar van de wijngaard. Nieuw in de parabel van deze zondag is dat de koning de deuren van de bruiloftszaal wijd openzet, zodat werkelijk iedereen naar binnen kan.
Zoals de vorige geeft ook deze parabel een overzicht van de geschiedenis van het godsvolk, nu met andere accenten. Met de eerste groep dienaren worden de profeten van het Oude Tes-tament bedoeld: zij werden afgewezen. De tweede groep zijn de volgelingen van Jezus: toen Matteüs zijn evangelie schreef, waren verscheidene van hen al de marteldood gestorven. Dat de stad in brand gestoken wordt, is hoogstwaarschijnlijk een zinspeling op de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinse legers in het jaar 70. Uiteindelijk wordt de deur opengezet voor allen: Jezus’ blijde boodschap is immers bestemd voor alle volkeren. Maar bij het laat-ste oordeel zal nagegaan worden of men wel volgens die boodschap geleefd heeft. De goeden zullen gescheiden worden van de slechten. Het buitenwerpen van de man zonder bruilofts-kleed verwijst naar dat oordeel. Matteüs laat Jezus hier spreken, over de hoofden van de ho-gepriesters en oudsten van het volk heen, tot zijn volgelingen uit latere tijden. ‘Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren’. Dat men geroepen is, betekent nog niet dat men ook automatisch gered wordt. Men moet ook leven volgens zijn roeping.
De moeilijkheden van de parabel mogen ons niet uit het oog doen verliezen dat hij uiteinde-lijk een blijde boodschap brengt. Die wordt onderstreept door de eerste lezing en door de antwoordpsalm. In de eerste lezing beschrijft de profeet het feestmaal dat God aanricht voor alle volken. Dat betekent meteen het einde van alle droefheid, gesymboliseerd door het scheuren van het rouwkleed dat de wereld bedekt. In het koninkrijk van God is geen plaats meer voor de dood. In de antwoordpsalm bezingt de psalmist zijn vertrouwen in de Eeuwige, die hem langs veilige paden leidt en hem in zijn huis gastvrij aan tafel nodigt. Het feest gáát door – maar laten wij ons dan ook gedragen als waardige genodigden.
Paul Kevers