De derde grote etappe van de heilsgeschiedenis is de exodus, de uittocht uit Egypte. Die etappe wordt vandaag opgeroepen door een verhaal dat zich afspeelt tijdens de tocht van de Israëlieten door de woestijn. In het geloofsverhaal van Israël is de ‘woestijn’ de plaats waar het volk op de proef wordt gesteld en waar het een beslissende keuze moet maken. De tocht is niet gemakkelijk. Het volk lijdt honger en dorst. Was het wel een goed idee Egypte te verlaten en op weg te gaan? Is de Heer nu bij hen of niet?
Maar de woestijn is ook de plaats waar God zorg draagt voor zijn volk en het de goede richting wijst door zijn Tora. God zorgt ervoor dat zijn volk niet van dorst omkomt: Hij geeft ‘water uit de rots’. Dat water verwijst ook naar de Tora: de rots wordt in het verhaal immers ook Horeb genoemd, dat is de berg waar het verbond werd gesloten en de Tora aan Israël werd gegeven. Ook in de evangelielezing heeft het water twee betekenissen. Er is water dat de lichamelijke dorst verslaat. En er is ‘levend water’: Jezus zelf.
Jezus gaat een gesprek aan met een vreemde vrouw. Joden willen met Samaritanen niets te maken hebben en het hoort niet dat een man op straat een gesprek aanknoopt met een onbekende vrouw. Maar Jezus doet het toch. Hij doorbreekt maatschappelijke en religieuze grenzen. Hij doorbreekt ook de muren die mensen rondom zichzelf optrekken. Zijn gesprek met de vrouw gaat naar de diepte. Hij wil antwoord geven op haar échte, onuitgesproken vragen. Hij wil voor haar ‘een bron van levend water’ zijn.
Bemerk ook hoe de rollen worden omgekeerd: in het begin is het Jezus die dorst heeft en te drinken vraagt, maar uiteindelijk openbaart hij aan de vrouw haar diepste dorst en presenteert zichzelf als ‘levend water’. In het Semitische taalgebruik betekent die uitdrukking: fris, vloeiend water uit een bron of een rivier (in tegenstelling tot het ‘dode’, stilstaande water in een poel of vergaarbak). Jezus gebruikt de uitdrukking echter in spirituele zin: het ware leven dat God schenkt.
De vrouw is diep getroffen door haar ontmoeting met Jezus. Zij weet zich door Jezus gekend, gewaardeerd en bemind. Daardoor komt zij tot leven: het is alsof zij opnieuw geboren wordt. Jezus heeft in haar hart een bron aangeboord die zij zelf niet kende. Zij laat haar kruik in de steek en loopt naar de stad terug om het nieuws te vertellen. Dit is een sprekend beeld voor de verandering die zich in haar heeft voltrokken. Zij laat het symbool van het verleden achter en gaat naar de gemeenschap om zelf levend water te worden voor anderen. Zij doet dat vanuit de kracht die zij, dank zij de ontmoeting met Jezus, in zichzelf teruggevonden heeft.
Ondertussen spreekt Jezus met zijn leerlingen over voedsel en over de oogst. Zoals zo vaak bij Johannes hebben die woorden een dubbele bodem. Het voedsel van Jezus is: de wil doen van zijn Vader. En de oogst waarover hij spreekt is de messiaanse oogst: alle volkeren worden gevoelig voor de blijde boodschap. De verkondiging onder de Samaritanen is daarvan het begin. De leerlingen krijgen van Jezus een zendingsopdracht: ‘Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd’.
Terwijl Jezus en zijn leerlingen bespreken wat er te doen staat, heeft de vrouw het werk al gedaan. Zij heeft bij haar stadsgenoten getuigenis afgelegd van wat zij ervaren heeft. Zij heeft de aandacht op Jezus gericht: ‘Zou hij soms de Messias zijn?’ En zodoende heeft zij een ‘Jezusbeweging’ op gang gebracht. De mensen lopen de stad uit, naar Jezus toe. Velen beginnen te geloven op haar woord. Nochtans gaat het niet om haar, maar om Jezus. Door het woord van Jezus zelf komen er nog veel meer tot geloof. Het verhaal eindigt met de geloofsbelijdenis van de Samaritanen: ‘Deze is werkelijk de redder van de wereld’.
Zonder water is geen leven mogelijk. Levensnoodzakelijk is ook Gods Woord dat de weg wijst naar het ware leven. Het is ‘een waterbron die opborrelt tot eeuwig leven’. Het is een Woord dat ruimte biedt en toekomst opent: voor de Samaritaanse vrouw en voor heel de mensheid. Het is ‘redding voor de wereld’.
Paul Kevers