In de eerste lezing is de profeet Jesaja aan het woord. Hij spreekt een oordeel uit over Sebna, hofmaarschalk en paleisbestuurder aan het koninklijk hof in Jeruzalem. Zijn functie was zeer belangrijk in het koninkrijk Juda, en lijkt op die van de Egyptische vizier, een soort eerste minister. Die ging iedere morgen naar de farao, had daarna een onderhoud met de schatbewaarder en liet vervolgens de deuren van het paleis openen, zodat de officiële dag kon beginnen. Het leven in het paleis en in heel het land stond dus onder het gezag van de hofmaarschalk, en werd geregeld door het openen en sluiten van de deuren van het konink-lijk paleis. Vandaar de symbolische waarde van de sleutel als teken van zijn ambt: we mo-gen ons daarbij een grote, zware sleutel voorstellen die op de schouder gedragen moest wor-den.
In de verzen die onmiddellijk aan de lezing voorafgaan, formuleert Jesaja een aanklacht te-gen Sebna. De profeet verwijt hem zijn hoogmoed en zijn arrogantie. Ofschoon Sebna daar geen recht toe had, liet hij zich een praalgraf uithouwen op een van de heuvels van Jeruza-lem. Hij had ook een verderfelijke politieke invloed op de koning. Jesaja kondigt aan dat Sebna in ongenade zal vallen en vervangen zal worden door Eljakim. Die zal bekleed worden met het ambtsgewaad en met de tekens van zijn waardigheid. Zijn ambt zal stabiel zijn, ‘als een spijker op een stevige plek’. De lezing is gekozen in verband met de evangelielezing van deze zondag. Daarin stelt Jezus Petrus aan als de ‘steenrots’ waarop hij zijn kerk zal bouwen en vertrouwt hem de ‘sleutels’ van het Rijk der hemelen toe.
Maar alvorens hij aangesteld wordt, spreekt Petrus eerst zijn geloof in Jezus uit. Die ‘belij-denis van Petrus’ is een belangrijk scharniermoment in het evangelie. De vraag: ‘Wie is Je-zus?’ wordt door Petrus juist beantwoord. ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. Uit het vervolg van het evangelie blijkt echter dat de leerlingen nog een lange weg moeten afleggen voor ze de geloofsbelijdenis van Petrus van harte kunnen beamen.
Zoals Petrus tot Jezus zegt dat Hij ‘Christus’ is, dat is de Griekse vertaling van ‘messias’ of ‘gezalfde’, zo zegt Jezus op zijn beurt tot Simon bar Jona dat hij ‘Petrus’ is, dat is de Griek-se vertaling van het Aramese kefa, ‘kei’, ‘rots’. Deze bijnaam die Jezus aan Simon Petrus gaf, wordt hier geïnterpreteerd als de rots waarop Jezus zijn kerk bouwt. ‘De poorten der hel zullen haar niet overweldigen’. Met ‘poorten der hel’ wordt in de eerste plaats verwezen naar de antieke voorstelling van de kosmos. Onder de aarde bevindt zich de ‘hel’, de sjeool, dat is de onderwereld. De aarde is stevig gegrondvest op ‘zuilen’ (zie Psalm 75,4; 104,5). In de beeldspraak van Jezus neemt de ‘rots’ waarop de kerk gebouwd wordt, de functie van die zuilen over: de ‘poorten der hel’ (dat is: de onderwereld als zodanig) zullen de kerk niet kunnen doen wankelen. Het woord ‘hel’ verwijst natuurlijk ook naar de machten van zonde en dood. De beeldspraak suggereert dat de kerk geroepen is aan die machten te weerstaan.
Petrus krijgt de sleutels van het Rijk der hemelen: de eerste lezing heeft ons de symbolische betekenis van de ‘sleutel’ leren begrijpen. De macht om te binden en te ontbinden, die hier aan Petrus wordt toegekend, wordt verderop in het Matteüsevangelie met precies dezelfde woorden aan alle leerlingen gegeven (zie Matteüs 18,18). Die macht is dus geen privilege van Petrus alleen. Dezelfde tekst helpt ons ook verder voor wat de precieze betekenis van ‘binden en ontbinden’ betreft. Het betekent: veroordelen of vrijspreken, beslissen of iemand al dan niet tot de gemeente van Christus behoort (zie Matteüs 18,15-17). Maar als we het gebruik van de werkwoorden ‘binden’ en ‘losmaken’ op andere plaatsen in het Nieuwe Tes-tament nagaan, blijkt dat we aan de uitdrukking ook een ruimere betekenis mogen geven. Het gaat ook over de opdracht van de kerk om de mensen van de knellende banden van kwaad en lijden te bevrijden (zie bv. Marcus 7,35; Lucas 13,16; Handelingen 2,24).
Paul Kevers