Vandaag lezen we het verhaal van de Emmaüsgangers, misschien wel het mooiste paasver-haal dat wij hebben. Het loont de moeite om eens na te gaan hoe meester-verteller Lucas dat verhaal heeft opgebouwd. Het is een zogeheten ‘ringcompositie’. Dat wil zeggen dat de ele-menten paarsgewijs geordend zijn rondom het midden. De inleiding en het slot beantwoor-den aan elkaar. De twee leerlingen verlaten Jeruzalem met ‘ogen die verhinderd werden Je-zus te herkennen’ en met ‘een bedrukt gezicht’. Nadat hun ‘ogen zijn opengegaan’ keren zij ‘met een brandend hart’ naar Jeruzalem terug. In het middendeel neemt Jezus drie initiatie-ven: hij opent het gesprek; bij het dorp aangekomen, doet hij alsof hij verder wil gaan; en aan tafel neemt hij de rol van gastheer over en zit de maaltijd voor.
Het centrum van het verhaal is dus de aankomst bij het dorp. Dat is tevens het ‘kritieke mo-ment’. Jezus wil verdergaan, maar Kleopas en zijn gezel dringen aan dat hij bij hen zou blij-ven. Als de twee leerlingen op dat ogenblik de vreemdeling niet gastvrij in hun huis hadden ontvangen, zou het verhaal heel anders zijn afgelopen. Deze centrale zinnen zijn omgeven door een belichting van wie Jezus is, enerzijds vanuit de Schriften die door Jezus worden verklaard, anderzijds door de maaltijdscène. Het eerste maakt het hart brandend (‘Brandde ons hart niet in ons, zoals hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?’), het tweede leidt tot herkenning (‘En zij vertelden ... hoe hij door hen herkend werd aan het bre-ken van het brood’).
Het verhaal beschrijft hoe Kleopas en zijn gezel groeien in geloof. In het begin zijn zij ont-goocheld over het dramatische levenseinde van Jezus. Zij beschouwen hem nog altijd als een profeet, ‘machtig in daad en woord’, maar nu is hij dood en hun hoop is vervlogen. Ze ver-tellen aan de vreemdeling het hele verhaal, tot en met de gang van de vrouwen naar het graf op paasmorgen – ‘maar Hem zagen ze niet’. Jezus begint met hun de Schriften uit te leggen. Daardoor gaat hun hart branden: zij ontdekken weer de God over wie Jezus hun verteld had, een God die partij kiest voor de kleine, verdrukte en lijdende mens. Daarna verlenen zij gastvrijheid aan de vreemdeling en juist die daad maakt de herkenning mogelijk. Want als hun gast het brood breekt en uitdeelt, gaan hun ogen open: het geloof in de Verrezene wordt geboren. Op dat zelfde ogenblik verdwijnt Jezus. Hij hoeft niet langer te blijven, want de nieuwe vorm van zijn aanwezigheid is herkend.
Lucas heeft in dit verhaal het Jezusbeeld van zijn evangelie op sublieme wijze samengevat. Jezus is er achtereenvolgens vreemdeling, reisgenoot, gast en gastheer. Hij begeeft zich met zijn twee ontmoedigde leerlingen mee op weg, hij luistert naar het verhaal van hun hoop en hun ontgoocheling, en opent daarna hun hart voor een nieuw verstaan van de Schrift. Zoals hij zo vaak bij anderen te gast was, wordt Jezus nu door zijn eigen leerlingen gastvrij ont-haald. Als gast stelt hij, verrassend, het gebaar van de gastheer: hij breekt het brood en reikt het hun toe. Hun ogen gaan open en zij herkennen hem.
Bovendien laat Lucas ons in dit verhaal zien, hoe wij vandaag Jezus, de levende, in ons mid-den kunnen herkennen. Want het verhaal gaat ook, en vooral, over ons. Lucas heeft wellicht met opzet de reisgezel van Kleopas anoniem gelaten: ieder van ons kan die tweede leerling zijn! Aan drie tekenen hebben de twee leerlingen Jezus herkend. In de uitleg van de Schrif-ten, in de vreemdeling die zij gastvrij ontvingen, en aan het breken van het brood. Op die drie wijzen kunnen ook wij vandaag de verrezen Christus ontmoeten. Wij kunnen hem ont-moeten door de Schrift te herlezen in het licht van wat Jezus heeft gezegd en gedaan. Wij kunnen hem ontmoeten in de mensen voor wie wij zorg dragen, vooral in de armsten onder hen. En wij kunnen hem ontmoeten telkens als wij samenkomen voor het breken van het brood. Mogen onze ogen opengaan en ons hart branden in ons.
Paul Kevers