De eerste lezing is genomen uit het boek Wijsheid, het jongste boek van het Oude Testa-ment. Het werd in het Grieks geschreven in de eerste eeuw voor Christus, door een joodse wijze in de diaspora, waarschijnlijk in Alexandrië. De auteur filosofeert over Gods barmhar-tigheid. In de loop van de geschiedenis heeft God afgoderij en andere kwalijke praktijken altijd gestraft, maar nooit in hun volle zwaarte. Dat is geen teken van onmacht – God is im-mers almachtig en hoeft aan niemand verantwoording af te leggen. Maar God is rechtvaardig en regeert met grote mildheid over de mensen. Als Hij met zachtheid oordeelt, dan is dat een vrije keuze. Daardoor wil God aan de zondaars de kans geven om zich te bekeren. En als God zo gehandeld heeft met de vijanden van Israël, dan heeft Hij daardoor zijn volk ook een les willen leren. Wie rechtvaardig wil handelen, moet zich ook menslievend en barmhartig opstellen.
De evangelielezing is, net als vorige zondag, een lange lezing uit de parabelrede in het
Matteüsevangelie. De lezing bestaat uit verschillende delen. Jezus vertelt drie gelijkenissen: over het onkruid tussen de tarwe, over het mosterdzaadje en over de gist in het deeg. Daarna verklaart de evangelist waarom Jezus in gelijkenissen spreekt. Ten slotte geeft Jezus uitleg over de parabel van het onkruid. Wie de lezing te lang vindt, mag ze inkorten tot enkel het eerste deel.
De parabel van het onkruid tussen de tarwe is een aanmaning tot geduld. Jezus kan die para-bel verteld hebben aan diegenen onder zijn leerlingen, die onmiddellijk werk wilden maken van het rijk Gods door de zondaars van de rechtvaardigen te scheiden. Aan hen die zoals Johannes de Doper een Messias verwachtten die het kaf van het koren zou scheiden en ver-branden in onblusbaar vuur (zie Matteüs 3,10-12). Maar Jezus ging anders te werk, met meer geduld. Hij zette zich helemaal in voor het koninkrijk van God. Hij besefte echter heel goed dat dit een werk van lange adem zou zijn, en dat het kwaad en het onrecht niet in één, twee, drie overwonnen konden worden. Dat wilde hij met deze parabel duidelijk maken. Tarwe en onkruid groeien samen op tot de oogst. Goed en kwaad zullen samen blijven bestaan. Het komt de leerlingen niet toe daar een einde aan te stellen. Kunnen zij trouwens wel scherp genoeg het onderscheid maken tussen de ‘goeden’ en de ‘kwaden’? Alleen God bepaalt de gunstige tijd waarin Hij zelf het oordeel zal voltrekken.
In het laatste deel van de evangelielezing krijgen we een uitleg van de parabel. In die uitleg, die hoogstwaarschijnlijk niet van Jezus, maar van de evangelist afkomstig is, verschuift de betekenis. Alle aandacht gaat nu naar het verbranden van het onkruid. Het vuur wordt geïn-terpreteerd als een beeld van de hel. Matteüs heeft de parabel zodoende aangepast aan de kerksituatie van zijn dagen. Hij waarschuwt zijn lezers voor valse zekerheid. Hij wil hen niet langer aanmanen tot geduld, zoals in de oorspronkelijke parabel gebeurde. Men zou immers ten onrechte de indruk kunnen krijgen dat het geen belang heeft of men ‘tarwe’ of ‘onkruid’ is. Matteüs wijst op de ernst van het christen zijn. Daarom waarschuwt hij voor het eindoor-deel en de eeuwige straf.
Maar de nadruk in de schriftlezingen ligt op het geduld en de mildheid van God. Hij geeft altijd kans tot inkeer (eerste lezing). Hij is ‘barmhartig en goed, geduldig, mild en betrouw-baar’ (antwoordpsalm). Het onkruid mag samen met de tarwe opgroeien tot de oogst. Oorde-len is geen mensenwerk. Zolang de geschiedenis duurt, past het ons geduld te oefenen en barmhartig te zijn, en dit nooit zonder hoop op bekering. Die houding kenmerkte Jezus zelf, die altijd geduld had met mensen en liefdevol omging met tollenaars en zondaars – tot er-gernis van schriftgeleerden en Farizeeën en van zijn eigen leerlingen.
Het andere accent in de uitleg van de parabel is slechts schijnbaar in tegenspraak met wat voorafgaat. Barmhartig en mild zijn voor anderen betekent niet dat men laks en toegeeflijk moet worden voor zichzelf. Niet oordelen en geduld oefenen, ‘wachten tot de oogst’, bete-kent niet dat die oogst onbelangrijk zou zijn en dat men onverschillig mag worden. Vandaar de waarschuwing van Matteüs om het christen zijn ernstig te nemen.
Paul Kevers