Onzer aartsvaders zijn de dragers van de belofte. Hun namen zijn: Abraham, Isaak en Jakob. Aan hen werd een volk én een land beloofd. Met dat volk zou God een verbond sluiten. Het verbond is het onderpand van het land: wie het verbond breekt, kan niet in het land wonen. Wie het verbond onderhoudt, zal er wonen en zal leven van de rijke vruchten die het land zal schenken. Maar onze aartsvaders hebben – zij aan zij met aartsmoeders Sara, Rebekka, Rachel en Lea – die belofte niet zonder inspanningen verworven. Ze moesten leren vertrouwen op de voorzienigheid van God: God zou voorzien in hun noden. Elke aartsvader heeft een weg van beproeving moeten afleggen. De aartsvaders leren ons zo dat élke weg van geloof gepaard gaat met beproevingen, met uitzuivering.
Jean Bastiaens, Diocesane Werkgroep Bijbel