Jezus is de rust zelve. Als twaalfjarige begeeft Hij zich onder de leraren alsof Hij nooit anders gedaan heeft. Hij spreekt met gezag. Iedereen is stomverbaasd. Wie is toch dat kind?
Hij voelt zich zo op zijn gemak dat Hij de tempel het huis van mijn Vader noemt.
Dat staat in schril contrast met wat Jozef en Maria voelen.
Angstig en met pijn in het hart gaan ze op zoek naar hun oogappel. Drie dagen lang. Tot ze Hem eindelijk terugvinden, in de tempel. Hij is zich van geen kwaad bewust. “Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”
Zijn ouders begrijpen er niets van. Wat is er toch met ons kind?