Toen Jezus de mensen naar zich toe zag komen, ging hij de berg op. Hij zette zich naar en zijn leerlingen kwamen bij hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus: “Zalig die arm voor God staan, want aan hen behoort het hemelse koninkrijk. (…) Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.” (Matteüs 5,1-12)
Van een leerkracht wordt gezegd dat hij voor de klas staat. Een soldaat ligt. Een rechter zetelt. Als Jezus tot zijn leerlingen spreekt, zet hij zich neer, zoals een joodse leraar doet als hij zijn leerlingen onderricht. Bij Jezus gebeurt dat boven op een berg. Dat is geen toeval. Daarmee treedt hij in het spoor van Mozes die boven op de berg Horeb de stenen tafelen met de tien geboden ontving. De tien geboden zijn de kern van wat God voor ons wil, het zijn woorden van leven. In zijn Bergrede vult Jezus die verder in. Vandaag horen we het begin ervan, het zijn de bekende zaligsprekingen.
“Zalig de armen van geest,” zo vangt Jezus aan. Bij die ‘armen van geest’ denken we misschien aan mensen met minder geestesmogelijkheden. Maar Jezus spreekt zich niet uit over onze intellectuele capaciteiten. In de nieuwe Bijbelvertaling staat er: “Gelukkig wie nederig van hart zijn.” Wie zijn die armen van geest of nederigen van hart? In het Oude Testament komen we deze uitdrukking al tegen, men spreekt daar over ‘de armen van JHWH’. Hiermee worden de verdrukten bedoeld, de zwakken, de mensen die zich op niets kunnen laten voorstaan, maar die juist alles te verwachten hebben en die daardoor openstaan voor Gods liefde. Alles van Hem verwachten die onze schepper is en de schenker van alle goeds ... Dat is de grondhouding die Jezus ons aanprijst. Wie zo leeft, zal ook bereid zijn om zijn bezit te delen met anderen.
Over één andere zaligspreking wil ik het nog even hebben: “Zalig die vrede brengen.” Met de oorlog in Oekraïne, in delen van Afrika, in Palestina en Gaza en nog op andere plaatsen in de wereld in het achterhoofd, klinkt dat bijna onwezenlijk. Vrede is voor velen in het geheel nog niet in zicht. Als kleine mensen staan we machteloos tegenover al dat onheil en gestook; we delen in de ontzetting en het verdriet van hen die er rechtstreeks het slachtoffer van zijn. We kunnen enkel hen ondersteunen die op welke manier ook zoeken naar een vergelijk en het zwijgen van de wapens. In zijn Bergrede geeft Jezus aan de vredestichters de hoogst denkbare titel: zij zullen zonen van God genoemd worden. Het is een onderscheiding die niemand kan claimen. Op de nominatielijst ervan staan allen die er oprecht naar streven.
Maar de Bergrede roept ons ook op om vredestichter te zijn in onze onmiddellijke omgeving. Daar zijn de vredebrengers diegenen onder ons die zich inspannen om in het gezin, in de buurt of in de gemeente de goede verstandhouding tussen mensen te bevorderen. Dat is iets wat mee in onze handen ligt en waar we elk ons aandeel kunnen in hebben. Laten we ons dus aangesproken weten door dat woord van Jezus, hij die voor ons de ware Leraar is aan wiens voeten we mogen zitten.
Jos Houthuys