Ook wie graag vertelt, raakt al eens de draad kwijt in zijn verhaal. Je vindt niet meteen de juiste woorden, het verhaal valt dan stil om te zoeken hoe het verder moet en de draad weer op te pakken.
De veertigdagentijd die nu begonnen is, is zo’n tijd. We onderbreken het verhaal van elke dag om weer verder te kunnen. We nemen te zelden die tijd. Het leven jaagt ons verder op z’n altijd eendere wegen. Tot we plots aan het eind van onze krachten zijn en we begeven bij gebrek aan adem. Dan is het tijd om te zoeken waar we de draad laten liggen hebben en hoe we het verhaal van ons leven best verderzetten.
De veertigdagentijd is daar de goede tijd voor. Hij doet ons weer de draad herkennen waarmee we verbonden zijn. Zovele draden verbinden ons met elkaar en - voor een christen - ook met God. Wie zouden we zijn zonder al die draden en verbindingen met zovele goede mensen die we ontmoeten en die mee met ons op weg gaan in het leven? Wie zouden we zijn zonder de draad die ons verbindt met onze God? Wat het betekent als we die band verbreken, horen we in de eerste lezing van zondag 22 februari (Genesis 2,7-9.3,1-7). We zijn allen als die eerste mens; Adam, want geschapen uit ‘adamah’, het Hebreeuwse woord voor ‘stof’, ‘aarde’. We zijn aardelingen. Maar we zijn ook verbonden met God. Daar wijst de letter ‘a’ op, de eerste letter van het alfabet, die verwijst naar God. Hij is de Ene en de eerste in ons bestaan. Maar de mens vergeet die band. Hij wil zelf liever zelf de eerste zijn, voor ‘god’ spelen. Dan pas ontdekt hij hoe hij in werkelijkheid is, schamel en kwetsbaar in al zijn naaktheid, geen ‘god onder de goden’.
Ook Jezus in het evangelie (Matteüs 4,1-11) is op zoek naar de draad in zijn bestaan, de draad die hem bindt met God en met de ander. Dat gebeurt in de woestijn, een plek die in de Bijbel symbool staat voor leegte maar ook zoeken naar verinnerlijking. In die zoektocht delen we met hem. Ook voor ons dreigt wel eens de verlokking om alleen aan onszelf te denken, te bezwijken voor eigen eer en roem, ten koste van die ander. Dat is de woestijn in ons bestaan, in de leegte staan, vergeten wat ons verbindt met elkaar en met God. Dan komt het er op aan die verbindingen weer te herstellen. Wij mogen niet opgeven de draden in ons bestaan die van levensbelang zijn, steeds weer te herstellen, bruggen te bouwen en banden te smeden. Moge deze veertigdagentijd ons daarbij helpen.
Jos Houthuys