De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren is een wat stille zondag. Stilte voor de storm van de komst van de Geest misschien? In het evangelie van die zondag (Johannes 17,1-11) gebeurt niets spectaculairs. Geen opzienbarend wonder, geen spannende discussie met de Farizeeën, geen beeldrijke gelijkenis of parabel. Wat we wel horen is een gebed dat Jezus bidt, en dan nog niet het eenvoudigste. Niet om direct na te bidden, zoals het Onzevader.
In de eerste lezing uit de Handelingen van de Apostelen (Hand. 1,12-14) gebeurt er evenmin veel. De leerlingen keren terug naar Jeruzalem zoals Jezus hun gezegd had te doen. Ze sluiten zich op in de veiligheid van een bovenzaal. Ze prediken nog niet, gaan er nog niet op uit, genezen nog niet. Een kerk die – zo lijkt het - in zichzelf gekeerd is, een kerk zonder taak in de wereld. Niet de kerk zoals we ze de eeuwen nadien zullen kennen. Dat is een kerk die in het leven van de wereld staat, die missiewerk verricht, scholen bouwt, ziekenhuizen en liefdadigheidsinstellingen opricht.
In de liturgie tussen Hemelvaart en Pinksteren is het nog zover niet. Maar misschien is een soort dood punt soms nodig. We zijn altijd heel erg gericht op actie en activiteit. Terwijl het stil maken, overwegen, bidden evenzeer nodig zijn. Kerkzijn betekent zowel je mouwen opstropen als je handen vouwen. We kunnen maar tot actie overgaan als hart en ziel mee zijn. Datgene wat we doen moet ook vanuit het innerlijke gevoed zijn. We zeggen toch zelf: bezin eer je begint. Dat is een wijze raad. Het is af en toe nodig te overdenken met wat je bezig bent, waarom je het doet, en van waaruit je het doet.
Dus hoeven we geen schrik te hebben als het wat stiller is in ons en rondom ons. We kunnen dan ook beter de woorden van Jezus tot ons laten doordringen. Hij bidt. En wat me treft: Jezus bidt er voor ons. Hij bidt voor ons die hem toevertrouwd zijn en om wie hij zorg heeft. Is dat niet het mooiste en diepste gebed? Zoals een moeder of een vader bidden voor hun kind, zoals wij zelf een kaarsje doen branden voor wie het nodig heeft. Zo’n gebed helpt ons om opnieuw hoop te hebben. We leggen onze zorg in de handen van iemand anders, in Gods handen. We delen onze zorg met Hem. Dat kan opluchten. Het helpt ons om opnieuw in beweging te komen. En de Geest van Jezus, die we met Pinksteren verwachten, in ons leven te ontvangen.
Jos Houthuys