Vergeving schenken, vergeving krijgen. Het behoort tot de essentie van het christelijk geloof. Maar tegelijk ervaren wij het als helemaal niet vanzelfsprekend. Misschien daarom dat het evangelie zoveel superlatieven, extremen uitademt? Omdat er geen voor de hand liggend antwoord is op Petrus’ vraag hoeveel keer hij moet vergeven (evangelie van zondag 13 september – Matteüs 18,21-35). Hij stelt ‘zeven keer’ voor, maar Jezus corrigeert tot zeventig maal zevenmaal. En dan volgt een parabel over geldschulden die in geenenkel mensenleven terug te betalen zijn.
Dat het getal ‘zeven’ zo vaak terugkomt, is niet vreemd. Zeven is in de Bijbel een belangrijk getal. In zeven dagen schiep God de wereld. Op de zevende dag rust God. Elk zevende jaar is een sabbatjaar, dan moet men o.a. de grond laten rusten. Na zevenmaal zeven jaar komt een jubeljaar, met algemene schuldkwijtschelding. Op het getal zeven borduren Jezus en het evangelie verder. Zeven drukt een volmaaktheid uit, Gods volmaaktheid.
Maar is het haalbaar, is het realistisch altijd te vergeven? De samenleving is zo complex aan spanningen tussen goed en kwaad, steeds wisselen de posities van wie dader of slachtoffer is. Er komt dus veel te kijken bij dat ingewikkelde gegeven van schuld en schaamte. Misschien staat die zeventig maal zeven keer daar symbool voor in deze zin: ga er niet te los over, er zijn veel facetten aan dat vergeven, het zijn vele stapstenen op een lange weg. En misschien is één mensenleven daarvoor zelfs te kort. Denk maar aan wat een oorlog aanricht aan wrok en haat; dat is in één generatie niet weg te wissen. Waar zit dan hier in dit evangelie de oproep tot elk van ons?
Als getuige van kwaad en onrecht voel ik me opgeroepen mijn ogen niet te sluiten voor onrecht veraf en dichtbij. Ik word uitgenodigd anderen aan te spreken om recht en liefde kansen te geven. Als dader moet ik onder ogen zien wat ik anderen veraf of dichtbij aandoe. Misschien kom ik ertoe vergeving te vragen, met alle begrip wanneer mijn slachtoffer me die niet kan geven. Als slachtoffer voel ik me uitgenodigd mijn kwetsbaarheid te erkennen en weet ik dat ik vroeg of laat aan de slag moet met mijn rancune, mijn kwetsuren, mijn angsten. Ik weet me uitgenodigd tot het schenken van iets dat uitzicht en bevrijding schenkt, zowel aan mezelf als aan de dader. Dat heet dan vergeving. Het schenken van vergeving zal mij genezen én doet tegelijk een appèl op mij. Het is alleen mogelijk als ik geloof in een God die mij en andere mensen onvoorwaardelijk bemint en die barmhartig is.
Voorwaar, geen vanzelfsprekend gegeven. Daarom ook geen vanzelfsprekend antwoord op de vraag: hoe dikwijls ik moet vergeven?
Jos Houthuys