In David zag God een waardevolle koning voor zijn volk. Aan de profeet Samuël om met Gods blik naar de mensen te kijken, om door het uiterlijk heen te zien en te kijken met de ogen van zijn hart. Hij moet een mens op het spoor komen die als een herder zal zorgen voor zijn volk.
Psalm 23 bekrachtigt die idee. Hij bezingt God als een herder die goed voor zijn schapen zorgt.
In het evangelie ontmoet Jezus een mens die blind is, die Hem niet herkent als het licht van de wereld. Tot de blinde zich aan Jezus toevertrouwt omdat hij in Jezus gelooft.
Geloven (van het grondwoord lieven of graag zien) is zich toevertrouwen. Dat is een hartsaangelegenheid. Dat heeft weinig of niets met verstand te maken.
Credere het Latijnse woord voor geloven bestaat trouwens uit cor + dare d.w.z. zijn hart geven!
Nu ziet die mens wie Jezus echt is. Wie Jezus voor Hem is. Een inzicht komt niet voor zijn tijd.
De Farizeëen moeten zijn genezing vaststellen. Ze vragen hem wie Jezus danw el is. Een man die in naam van God spreekt, een profeet, zegt hij.
Dat kunnen de Farizeërs niet geloven. Ze zijn er niet klaar voor. Ze denken dat ze zien, maar ze zijn ziende blind.
Zoals zo vaak in de Bijbel gebeurt alles heel fysiek: David krijgt olie over zijn hoofd symbool voor het feit dat vanaf dat moment de geest van God met David is. Jezus neemt wat speeksel en maakt er slijk mee en legt dat mengsel op de ogen van de blinde; Hij raakt hem dus aan; de blinde moet zich daarna gaan onderdompelen in de bronnen Siloam. Water reinigt en vernieuwt!
Mia Verbanck, teamlid liturgie OLVM