Vorige zondag vertelde de eerste lezing het paradijsverhaal. Nu is Mozes aan de beurt.
Wekenlang trekken de Israëlieten door de woestijn van kamp tot kamp. Wanneer ze hun tenten opslaan in Refidim, hebben ze geen water meer om te drinken.
Ze gaan boos en verontwaardigd naar Mozes: 'Geef ons water te drinken! Is God nu bij ons of niet?' En een beetje later: "'Waarom voerde u ons weg uit Egypte als onze kinderen en ons vee toch van dorst moeten sterven?"
Mozes is ten einde raad. Hij bidt tot God. Hij antwoordt: "Neem de staf, waarmee u op de Nijl geslagen hebt, en ga op weg. Ik zal verder op een rots gaan staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uit stromen zodat de mensen kunnen drinken."
In het bergmassief van de Sinaï komt het soms voor dat een kalklaag of een zoutlaag een bron afsluit. Wie op de juiste plaats een gat slaat, kan er toegang toe krijgen.
Voor Mozes en de Israëlieten was dit een teken van de bezorgdheid van God voor hen. Ze vertelden dit later aan elkaar door op zo'n manier dat het een mirakel werd.
Psalm 95 zingt dat God een rots is.
In het evangelie spreekt Jezus een vrouw aan die op het middaguur water komt putten, en dan nog wel een Samaritaanse. Hoogst ongewoon!
Eerst ziet de Samaritaanse vrouw Jezus als een vreemdeling dan als een vijand. Jezus is immers een jood. Later noemt ze hem: "man van God, profeet, Messias".
In dit verhaal zegt Jezus voor het eerst zelf wie Hij is: de Messias, Hij die gezonden is, Hij op wie de vele generaties joden uit het Oude Testament gewacht hebben.
Hij is als levend water: zoals we water nodig hebben om te leven, zo hebben we Jezus nodig als we echt willen leven.
Mia Verbanck - met dank aan de website Bijbel in 1000 seconden