Op de eerste dag van de veertigdagentijd, op Aswoensdag, krijgen christenen een askruisje. De priester maakt het kruisje op hun voorhoofd met as van de palmtakjes van het voorbije jaar. In het begin van de veertigdagentijd herinnert dit gebruik ons eraan dat er in het leven van de mens vele dingen zijn die helemaal niet zo belangrijk zijn. Ze zijn te vergelijken met as, met stof. Ze verwarmen niet en geven geen licht. Je blaast er even over en alles is weg.
Sommige priesters zeggen bij het geven van zo'n askruisje: 'Bekeer u en geloof in de blijde boodschap.' Daarmee bedoelen ze: 'Blijf niet staan bij wat oppervlakkig is en weg te blazen is. Geef al je aandacht aan die dingen die echt belangrijk zijn in het leven, zoals vriendschap en liefde.'
Veertig dagen lang hebben christenen de tijd om hierover na te denken, ter voorbereiding van het grote feest van Pasen. De avond voor Pasen, op Stille Zaterdag, wordt dan op het plein voor de kerk een vuur aangestoken. Dit vuur is het symbool van de verrezen Christus, de overwinnaar van het leven op de dood, en alles wat dood maakt.
Chantal Leterme in Samuel, uitgeverij Averbode, 2004, nr 6, p. 2