In het leven is het niet altijd gemakkelijk uit te maken welke kant te kiezen. In een land dat bezet wordt, is die keuze nog moeilijker. Het kan zich altijd tegen jou keren. Dat overkomt Jezus in het evangeliestukje dat we zondag 18 oktober ( Matteüs 22,15-21) in de liturgie horen. Wat Jezus ook zegt op de vraag of het geoorloofd is belasting te betalen aan de keizer of niet, hij trapt altijd op zere tenen. Zegt hij ‘ja’, dan valt hij dat deel van zijn joodse volksgenoten af die zich verzetten tegen de Romeinen. Zegt hij ‘neen’, dan riskeert hij dat de bezetter dit niet over zijn kant laat gaan en hem vervolgt. Het is dus geen onschuldige vraag.
Dan komt zijn antwoord: “Geef aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.” Letterlijk staat er in het Grieks: geef die keizer dan zijn verdomde geld terug als dat van hem is. Maar jij, geef jij liever aan God wat van God is. Vraag is dan: wat is van God? Wat hebben wij aan Hem te geven? Voor het antwoord op die vraag keren we best terug naar het allereerste begin, de schepping. Toen legde God ons zijn beeltenis in het hart. Allen zijn wij z’n liefdesafdruk, broers en zussen van elkaar. Dat maakt ieder mens zo kostbaar voor ons. Het maakt ons verantwoordelijk voor elkaar. Ik kan niet doen alsof jij er niet bent. En omgekeerd kun jij niet doen alsof ik er niet ben. Dat stelt ons voor de opgave om in elke situatie te zien wat die broer of zus van mij recht doet. Dat begint al in elk gezin, waar elk gezinslid moet leren rekening te houden met het ander. Maar dat gaat verder naar elk samenlevingsverband waarin we leven, in vereniging, wijk, buurt, gemeente, land, waar mensen ook maar samenleven. En hoe moeilijk dat wel is, zien we telkens weer in elke strijd die oplaait als mensen elkaar niet de ruimte gunnen om te leven, zich te ontplooien.
Kijken met de ogen van God naar wat zijn mensenkinderen ten goede komt, het is een nooit ophoudende opgave. Maar toch, ze wordt waargemaakt, nu hier dan daar. Ze is te herkennen in de ongelooflijke inzet waarmee mensen elkaar proberen goed te doen, in het leed dat ze verzachten, in het begrip dat ze tonen, in de hand die ze reiken. Zoals ik een dokter in een van de verwoeste ziekenhuizen in Gaza hoorde zeggen: ik verzorg iedere gewonde die hier binnengebracht wordt, zonder te vragen naar zijn geloof of politieke overtuiging. Het is doen zoals Jezus dat deed: alleen liefde geven, omdat alleen daar de wereld beter van wordt. Het is onverkort God geven wat Hem toekomt en daar alles op inzetten.
Jos Houthuys