Op een dag liep Jezus langs het meer van Galilea en zag twee vissers hun net in het meer uitgooien. Het waren twee broers: Simon, ook nog Petrus genoemd, en Andreas. Jezus sprak hen aan en zei: “Kom en volg mij! Vissers van mensen maak ik van u.” Onmiddellijk lieten ze hun netten in de steek en gingen met hem mee.” (Matteüs 4,18-20)
Er zit vaart in het roepingsverhaal van de eerste leerlingen. Korter kan het niet: Jezus loopt langs het meer van Galilea, ziet twee keer twee broers aan het werk, zegt hun: “Kom, volg mij”, en meteen laten ze hun netten achter en volgen hem. Geen lange uitleg eraan vooraf, geen vragen, geen aarzeling. Nee, meteen prijs. Het maakt ons nieuwsgierig. Is het in werkelijkheid allemaal zo vlug, zo spontaan verlopen? Schuilt er niet meer achter deze ontmoeting, dit meteen gevolg geven aan de oproep van Jezus?
Matteüs geeft de indruk dat Jezus en zijn leerlingen bij deze ontmoeting volslagen vreemden waren voor elkaar en dat die ontmoeting zomaar uit de hemel komt gevallen. Maar is dat wel zo? Die vissers waren niet enkel mensen die hard werkten voor hun dagelijks brood – of hun gebraden vis. Er was in hen een honger naar méér. Hun bestaan zoals het was vonden ze leeg. Uit het evangelie van Johannes weten we dat diezelfde broers volgelingen waren van Johannes de Doper. Hij had in hen iets wakker geroepen wat in hun binnenste reeds sluimerde. Er was in hen al iets gewekt, er brandde al een vonk, het besef van hun verlangen naar meer, naar God. Als ze dus Jezus horen, wordt die vonk versterkt. Ze gaat nu aan het branden. In Jezus herkennen ze een antwoord op hun verlangen. Vandaar dat ze hem zo onmiddellijk achterna gaan.
Maar ook van Jezus gaat er iets uit dat maakt dat hij oog heeft voor mensen die in zijn zending willen delen. Vanuit de andere evangelieverhalen weten we dat Jezus gevoelig is voor de vragen van mensen, hij ziet hun nood, hun lijden. Voor hen allen wil hij een bondgenoot zijn, iemand die met hen meegaat op de weg van het leven. Dat maakt hem bijzonder aandachtig voor allen die zoeken naar meer. ‘Kom en volg mij’ is zijn uitnodiging om hem te volgen.
Die uitnodiging om hem te volgen is ook tot ons gericht. Ook in ons leeft de vraag naar meer, het verlangen naar leven dat zin en vervulling geeft. Ook in ons sluimert die vonk, ze moet enkel gewekt en aangewakkerd worden. Dat kan al door gevolg te geven aan de simpele vraag van ieder andere mens tot ons. Daarin mogen ook wij de stem van God zelf horen, en erop ingaan.
Jos Houthuys