Wet en geboden zijn woorden die we niet zo graag horen. Ook al weten we dat er in het verkeer van het menselijk samenleven regels nodig zijn. Ook als gelovigen ervaren we die noodzaak. In de eerste lezing van zondag 15 februari (6de zondag door het jaar A) horen we zelfs een aanmoediging om ze ter harte te nemen (Jezus Sirach 15,15-20) : “Wanneer gij wilt, kunt gij de geboden onderhouden en doen wat de Heer behaagt.” Die geboden zijn niet bedoeld om de mensen het leven onnodig moeilijk te maken. Ze zijn een manier om God te zoeken en te vinden. Ze helpen om God een plaats te geven in ons dagelijks leven en om Hem lief te hebben. Je kunt ze ook gebruiken om er anderen mee om de oren te slaan, zoals het maar al te vaak gebeurd is, ook in de Kerk. Maar dat is niet de bedoeling van de Tora, de Wet van God. Die is bedoeld als een reisgids voor mensen die zich onderweg weten.
Zo verstaat Jezus het ook. Het doet hem zelfs zeggen (Matteüs 5,17-37): “Denk niet dat ik gekomen ben om Wet of profeten af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.” Jezus is ervan overtuigd dat de Wet van God ons wijst naar het hart van God, zijn diepe wil. Maar het vraagt dan een heel andere manier om naar die Wet te luisteren, zoals wij ze Jezus in zijn leven ook zien toepassen in zijn wijze van omgaan met de mensen.
Hoe leest Jezus Gods Wet? Een beeld kan ons daarbij helpen. Je kunt om zo te zeggen op twee manieren naar de dingen kijken. Toegepast op Gods Wet: je kunt die lezen zoals wij vroeger in de les van biologie een bloem moesten ontleden. We kregen dan allemaal zo’n bloem en moesten die ontleden, de stukjes ervan uiteen halen. En als alles voor ons uitgespreid lag, zei de leraar: ziezo, nu kennen jullie de bloem. Ja, we kenden ze, maar hoe? Eerder koud en ontledend, harteloos bijna. Maar je kunt naar Gods Wet ook kijken zoals een schilder verrukt bij de bloem staat die hij gaat schilderen. Hoe doet die dat? Ik kan mij voorstellen dat hij voor die bloem gaat zitten en rustig wacht. Hij laat haar schoonheid diep in zich doordringen. Hij kijkt en luistert totdat de bloem eindelijk haar geheim aan hem prijsgeeft. En pas dan gaat hij haar schilderen. Want dan heeft hij haar gezien, gezien met de ogen van het hart.
Zo leert Jezus ons naar Gods Wet kijken, met ogen die gevoel hebben voor de diepe betekenis ervan. Wie alleen maar de letters van de Wet leest, is als de leerling die de bloem kent door de stukjes voor hem te zien liggen. Maar eigenlijk zie je zo niet de bloem in haar ware schoonheid. Jezus daarentegen is als de schilder die van alle kanten de bloem bekijkt, met gevoel, met liefde, met zin voor het geheim dat erin schuilt. Wie zo Gods Wet in zijn leven wil verstaan, zal ontdekken hoeveel eerbied en zorg voor elk mensenkind erin zit. Die ontdekt er Gods bedoeling met de mens en de schepping in, God die niet anders wil dan dat wij met veel eerbied en met veel liefde ieder mens tegemoet treden en tot zijn recht laten komen. Zo schrijven wij Gods Wet in ons hart.
Jos Houthuys