“Ik behoor tot een verloren generatie
en ik weiger te geloven dat
de wereld kan veranderen door mijn toedoen."
Op het internet kun je een gedicht van drie verzen vinden dat in twee richtingen gelezen kan worden: van boven naar onderen, en van onderen naar boven. De verzen blijven dezelfde, maar de boodschap van het gedicht verandert. Lees je ze van boven naar onderen, dan staat er: “Ik behoor tot een verloren generatie en ik weiger te geloven dat de wereld kan veranderen door mijn toedoen.” Lees je ze daarentegen van onderen naar boven, dan weerklinkt er een boodschap van hoop en betrokkenheid: “De wereld kan veranderen door mijn toedoen en ik weiger te geloven dat ik behoor tot een verloren generatie.”
Je kunt het een woordspelletje noemen, maar het laat zien dat het van belang is in welke richting je leest en kijkt. Je kunt naar het leven kijken en daar somber en passief bij worden. Je kunt ook vanuit een andere richting naar het leven kijken en daar hoop en kracht uit putten. Het evangelie van zondag 15 maart toont hetzelfde (Johannes 9,1-41). Jezus geneest op sabbat een man van zijn aangeboren blindheid. Naargelang de richting waarin de omstaanders kijken wordt dat op een verschillende manier geïnterpreteerd.
Onder de leerlingen en de farizeeën leeft de overtuiging dat blindheid van de man te het gevolg is van een zondige levenswandel. Van hemzelf, of van zijn ouders. Jezus weigert mee te gaan in een manier van kijken die ziekte ziet als gevolg van een fout of zonde. Wat hem bezighoudt is niet de vraag waarom de man ziek is, wel het feit dat God ook van deze mens houdt en hem wil zien leven in het licht. God biedt toekomst, en het is die toekomst die Jezus helpt waarmaken. Hij geneest.
Ook dan is de richting van de reacties op zijn genezing verschillend. Zelf komt de man in kleine stapjes tot het inzicht wie hem genezen heeft. Eerst zegt hij dat het ‘een zekere Jezus is die mij heeft genezen.’ Wat later noemt hij Jezus ‘een profeet’. Daarna ‘een man van God’. En tenslotte ‘de Mensenzoon.’ Stap voor stap komt hij tot het inzicht dat Jezus Gods gezondene is. Zover komen de Farizeeën niet. Zij blijven bij hun eerste manier van kijken, nl. dat Jezus een zondaar is.
In welke richting zien wij? Met welke ogen kijken wij naar de wereld om ons heen? Mag daarin ook ons hart meespelen? Is ons ‘zien’ tegelijk een ‘inzien’, willen zien zoals God en kijken vanuit het hart? Alleen dan kan er begrip en mededogen zijn, alleen dan is ons zien gericht op wat toekomst heeft. Paulus noemt dat in zijn brief aan de Efeziërs (tweede lezing van zondag 15 maart) (Efeze 5,8-14): leven als de kinderen van het licht. Mogen we in die geest samen uitkijken naar het feest van Pasen.
Jos Houthuys