Jezus staat op het toppunt van zijn populariteit. In de steden en dorpen waar hij komt, wordt hij door een menigte mensen omstuwd. Iedereen wil hem zien en bij hem in de buurt komen: de wonderdoener, de nieuwe profeet.
Voor Jezus zelf is zijn succes geen rozengeur en maneschijn. Hij is op weg naar Jeruzalem, en hij weet dat hij daar veel zal moeten lijden. Hij heeft het al aan zijn leerlingen voorspeld (Mc 9,31). Ja, daar wacht hem de dood. Al een tijd is hij onderweg. Jericho, de stad waar hij zich nu bevindt, is nog maar 24 km van Jeruzalem. Terwijl Jezus Jericho verlaat, verricht hij er nog een wonder, zijn laatste genezingswonder, de genezing van een blinde bedelaar.
Want, zoals iedereen in Jericho, wil ook Bartimeüs Jezus ontmoeten. Hij roept en schreeuwt het uit, hij smeekt tweemaal om het medelijden van Jezus. Maar de menigte snoert hem onmiddellijk de mond. U moet weten, Jericho is één van de oudste steden van de mensheid, een vruchtbare oase met vele palmbomen. In die tijd had koning Herodes er prachtige gebouwen neergezet. De blinde bedelaar mag er misschien zijn, maar dan liefst stil en onopvallend. Zeker nu, nu de grote profeet en wonderdoener langskomt. Het moet er een drukke en lawaaierige boel geweest zijn. En toch, Jezus hoort de mens die hem nodig heeft. Een beetje zoals een moeder die doorheen alles de stem van haar kind herkent.
“Roep hem eens hier” zegt Jezus. De leerlingen stellen hem gerust met dezelfde woorden als waarmee Jezus hen toesprak tijdens de storm op het meer: ‘rustig maar, houd moed’. En Jezus vraagt: “Wat wilt ge dat ik voor u doe?” De zonen van Zebedeus vroegen dan voor zichzelf een hoge plaats in het Rijk Gods. Zo gaat dat bij ons mensen, als we al meer hebben dan wat eigenlijk nodig is. Dan gaan we dwaze dromen koesteren. “Je weet niet wat je vraagt” zei Jezus toen. Maar Bartimeus weet zeer goed wat hij vraagt. Iedereen weet wat Bartimeüs zal vragen. Niets ingewikkelds, geen hoge dromen, maar alleen: “Maak dat ik kan zien!” En het gebeurt: “uw geloof, uw vertrouwen is uw redding”, zegt Jezus.
Toch is er meer aan de hand. Bartimeüs schreeuwt Jezus toe met een plechtige titel: ‘Zoon van David’, wat verwijst naar de hoop op een toekomstige figuur die het volk Israël zou bevrijden, een figuur die doet denken aan de legendarische koning David. En wanneer Bartimeüs recht voor Jezus staat, noemt hij hem ‘Rabboeni’, leraar, met een mengeling van eerbied en intimiteit. Anders dan de nieuwsgierige massa, begrijpt de blinde bedelaar meteen met wie hij te maken heeft: Jezus van Nazareth, door God gezonden om Zijn liefde voor de mensen te betonen. Zoals God in de profeet Jesaja zijn dienaar roept om, en ik citeer, “om blinde ogen te ontsluiten, om gevangen uit de kerker te bevrijden, degenen die in de duisternis van de gevangenis wonen” (Jes 42,6-7). Dan wordt duidelijk dat de genezing van Jezus dieper gaat, namelijk dat Jezus allen uit de duisternis wil bevrijden, ook ons vandaag.
Wat verderop in Jesaja ligt een andere clue van het verhaal. Daar klaagt God: “U hebt veel gezien, maar u hebt niet onthouden, uw oren waren wijd open, maar u hebt niets gehoord.” Is dat niet precies wat de massa in het machtige Jericho is overkomen? Ze willen de bedelaar niet zien, niet horen, en … ze zijn niet genezen. Het doet je afvragen: wie is eigenlijk blind in dit verhaal?
Nog een laatste punt. We weten dat Jezus op weg is naar Jeruzalem. Maar ook hier, in de genezing in Jericho, spreekt de evangelist Marcus over gaan en bewegen. Hoe leren we Bartimeüs kennen? Hij ‘zit’. En hij zit niet op de weg, maar ‘langs’, ‘naast’ de weg. Hij kan of wil nergens naartoe. Jezus ‘gaat’ weg uit Jericho, maar als hij Bartimeüs hoort, blijft hij ‘staan’. Ook Jezus gaat even nergens naartoe. En daar gebeurt eigenlijk al het wonder: Jezus roept hem, en Bartimeüs ‘werpt zijn jas weg en sprong overeind’. Als een magneet wordt hij naar Jezus getrokken, alsof hij al genezen is. Hoe heelt Jezus zijn blindheid? Met een korte opdracht: ‘Ga’. En inderdaad, hij volgt Jezus op zijn weg, op die moeilijke weg naar Jeruzalem.
Zien en bewegen, het hoort samen. Zoals in de Oudtestamentische lezingen van vandaag. In Jeremia belooft God als een Vader voor zijn volk: “Bedroefd gingen zij heen, getroost leid Ik hen terug. Ik voer hen naar stromende beken, over gebaande wegen waarop ze niet struikelen.” (Jer 31,9) Of in de prachtige Psalmtekst: “Degene die in tranen zaait, zal blij zingend oogsten. Degenen die in tranen op weg gaat, de zaaizak om de schouder, zal blij zingend naar huis teruggaan, met schoven op zijn rug” (Ps 126).
Goede mensen, alle rollen in dit verhaal kennen we van binnenuit. Soms zijn wij als Bartimeus, roepend midden de menigte die ons niet lijkt te zien. Soms behoren we, u en ik, tot de omstaanders, die vooral zelf naar voor dringen. Vaak zijn we zoals de leerlingen van Jezus. We bedoelen het niet slecht, maar er is zoveel dat we niet zien. Dagelijks lopen we mensen voorbij, ook in onze eigen omgeving. Er zijn ook zoveel andere dingen waar we mee bezig zijn. En soms, heel even, zijn we zoals Jezus. Dan zijn wij de mens die de smekende ziet en die echt aangegrepen wordt. De mens die wij zouden willen zijn, de mens die recht uit God komt. Laten we proberen op die eenvoudige, goede Jezus te lijken. Dag na dag, stap voor stap. Amen.
David Godecharle, theoloog en parochieassistent van onze Pastorale Eenheid Mozes