Geschreven door Bart Compernol, bibliothecaris van het Grootseminarie
De Wonderbaere reyze na d’uytterste paelen van America door den zeer eerw. Pater Ignatius Toebast spreekt tot de verbeelding. Zowel het levensverhaal dat erin verteld wordt als wat de aantekeningen in het boekje ons vertellen. Het is eigenlijk een bundeling brieven van en over de jezuïet Ignatius Toebast (1648-1684) over zijn leven als missionaris. Of hij echt gemaakt was voor het missionarisleven, valt te betwijfelen. Al van voor zijn vertrek vraagt hij zijn naasten om aandenkens, alsof hij al heimwee heeft nog voor zijn vertrek. In Sevilla klaagt hij dat “de landen en zyn hier ook zoo niet gekultiveert als in Vlaenderen” en “alles is hier maar vuyligheyd”.
Na zijn aankomst in Nieuw-Granada, dat het huidige Colombia en Venezuela omvat, trekt hij verder naar Santa Fé de Bogotá. Ondanks zijn jonge leeftijd van 32 vallen het klimaat en het eten hem zwaar:
"Ik hebbe geschreven aen den Pater Generael, want ik om de groote hitte, en het geduerig water drinken, en dat de natuere haer begeeft, ik hier niet langer kan blyven. Ik ben zoo uytgeput dat ik het vel maer en hebbe over de beenen, en zomtyds niet eenen vinger kan verroeren."
Maar na lang wachten vertrekt hij dan toch naar zijn missiepost ‘los Maynes’ over de rivier de Magdalena die niet zonder gevaar is:
"Hier zal ik veele Key-mannen zien, die de menschen, zoo de Canoye omslaet, op-eeten… tot ons bedde gebruyken wy eenige koorden en van binnen is het gelyk een matte op het welke wy slaepen, en spannen dit bedde aen twee boomen, om alzoo van de tygers, die alhier zeer veel zyn, bevryd te wezen."
Naast wilde dieren vormen ook de vijandige inheemse stammen een gevaar. Deze werden onder één noemer de ‘Caraïben’ of calibes genoemd en bestempeld als kannibalen en moeilijk te bekeren slavenhandelaars. Kort na zijn aankomst in Zuid-Amerika op 8 april 1681 schrijft Ignatius nog “Godt geve dat ik den eersten mag zyn van het Nederland, die naer het Woord Gods veele jaeren onder de Heydenen verkondigt te hebben, met myn bloed de omstaende Barbaerische Eylanden mag besproeyen, en alzoo de Kroone der martelie verwerven.” (België had toen nog de naam Zuidelijke of Spaanse Nederlanden) Twee jaar na zijn laatste brief gaat op 15 oktober 1684 zijn wens in vervulling. In de brief van de overste aan zijn familie staat te lezen:
“Onder andere treffelyke werken hadden de zelve Paters zoo veel te wege gebragt by deze volkeren, dat zy geene slaeven of gevangene Indiaenen meer verkogten aen de nabeurige ongeloovige en barbaere mensch-eeters, die men Calibes noemd, zynde ongetemd en wild volk: deze hierom ten uyttersten verbitterd, vergaederen half October eenige troupen, gewapent met sabels en musquetten, vallen in het land van Orinoco van verscheyde kanten, sleuren met koorden langs de straeten Pater Gaspar Beck een Beyer, Pater Ignatius Fiol een Spanjaerd, en Pater Ignatius Toebast een Nederlander, zy houwen hun handen en voeten af, en brengen hun voorts omhals, doende niet het minste leed aen de geloovige Indiaenen, en op dat het klaerder zoude blyken dat deze Barbaerische razernye uytgevrogt wierd uyt haet van ons heylig Geloof…” En zo eindigt dit korte maar tragische verhaal van de missie van Ignatius Toebast naar de verste uithoeken van Amerika.
Lees verder onder de afbeeldingen