Lieve broers en zussen,
De eerste lezing vertelt over het missionariswerk van diaken Filippus bij de Samaritanen. En hij is niet de eerste missionaris, want een Samaritaanse vrouw is hem voorgegaan. Met haar had Jezus zo een diepgaand gesprek gevoerd dat ze naar haar stad was gerend om over Hem te vertellen. Dus werd zij de eerste missionaris. Ze deed dat met zoveel overtuiging dat veel stadsgenoten tot geloof in Jezus kwamen. Ze vroegen Hem zelfs om in hun stad te blijven. Dat deed Hij gedurende twee dagen, maar nadien is er in het evangelie geen sprake meer van de gelovige Samaritanen. Misschien was het geloof verdwenen, en moest Filippus helemaal opnieuw beginnen. Hij doet dat zo vurig dat velen geloofden in Jezus en zich lieten dopen.
In het evangelie is er van optimisme over een mooie toekomst echter helemaal geen sprake. Jezus lijkt zich in zijn afscheidsrede tijdens het Laatste Avondmaal zelfs af te vragen of zijn leerlingen wel gelovig genoeg zijn om zijn boodschap over te dragen. Hij heeft daar zijn redenen voor. Ze denken immers nog altijd dat Hij door God is gezonden om Israël van de Romeinse bezetter te bevrijden. Hij weet ook wat Hem te wachten staat, en hoe zijn leerlingen daarop zullen reageren: Judas zal Hem voor dertig zilverlingen verkopen, en alle andere leerlingen zullen op de vlucht slaan wanneer Hij wordt aangehouden. Even later zal Petrus zelfs heel verontwaardigd zweren dat hij Jezus niet eens kent. Kort gezegd: Jezus moet zijn vreselijk lot helemaal alleen ondergaan.
Het is dus niet verwonderlijk dat Hij twijfels koestert over het geloof van leerlingen. Zullen ze zijn boodschap van liefde en vrede niet alleen onderhouden, maar ook verkondigen? Dus bidt Hij tot zijn Vader dat Hij hun een Helper zou geven die altijd bij hen zou zijn: de Geest van waarheid, de heilige Geest. Hij zal hun het geloof en de kracht geven om in alle omstandigheden zijn boodschap van liefde en vrede te beleven en te verkondigen.
Zijn boodschap van liefde en vrede die sterker is dan de dood. Maar is dat wel zo? Ervaren wij in alle omstandigheden de kracht van de liefde? Ook wanneer de dood ons van heel nabij treft bij het verlies van een partner, een ouder, een kind? Kunnen er dan nieuwe vruchten groeien in de kale boom van ons verdriet? En als we ons niet liefdevol gedragen, als we breken met onze naasten, kan de liefde het ook dan winnen van haat, onverschilligheid, leugens en bedrog?
Ja, dat kan, want ook wij hebben bij ons doopsel de heilige Geest ontvangen. Hij geeft ons de kracht om te geloven, om onszelf de bevragen en om de weg van Jezus te gaan. Bij Hem was liefde altijd sterker dan gelijk welk ander gevoel. ‘Oordeel niet, en gij zult niet geoordeeld worden’, zei Hij. En Hij zei ook: ‘Behandel anderen zoals ge wilt dat ze ook u behandelen.’ En Hij leefde zelf helemaal naar die woorden.
Broers en zussen, we zijn bijna aan het einde van de paastijd gekomen, de tijd waarin we de verrijzenis van Jezus vieren en ons voorbereiden op de komst van de heilige Geest. In het evangelie hoorden we hoe Jezus zijn leerlingen moed inspreekt voordat Hij hen verlaat. ‘Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik keer tot U terug’, belooft Hij. Dat zegt Hij ook tegen ons. Hij weet immers hoe hulpeloos we kunnen zijn. Daarom werkt zijn Geest ook in ons. De heilige Geest, die altijd bij ons blijft en ons altijd helpt om zijn weg van liefde en vrede te gaan, ook als het niet makkelijk is. Laten we dus bidden dat we zijn Geest in ons zouden voelen. Amen.