Veel dagen breng ik door met biechtgesprekken. Ik heb al zoveel moois mogen meemaken in de biecht. Soms tranen van verlossing gezien. Onze Joodse broeders en zusters kennen het sacrament van de verzoening niet. Wel kennen zij Jom Kippoer. Dit jaar vieren ze Grote Verzoendag van zondagavond 27 september tot maandagavond. Het is misschien wel hun belangrijkste liturgische feest. Veel Joden die anders niet naar de synagoge gaan, gaan wel op Jom Kippoer. Want dan wordt plechtig, tot drie keer toe en altijd luider, het Kol nidree uitgesproken. Dan zijn, zouden wij zeggen, de zonden vergeven, in Gods naam. Het is een groots en aangrijpend moment, dat niemand wil missen.
De Joodse geleerde Martin Buber heeft in zijn boek ‘Chassidische vertellingen’ een herinnering bewaard aan zo’n Jom Kippoer. De vrome Joden waren samen in het gebedshuis en ze wachtten op de rabbijn, Mosje Loeb. Ze wachtten en ze wachtten, en hij daagde maar niet op. Eén van hen was een jonge moeder, en ze begon ongerust te worden. Haar kindje sliep toen ze naar de synagoge vertrok. Ze dacht dat ze gauw weer thuis zou zijn. Maar nu het zo lang duurde, was ze niet meer op haar gemak. Ze liep vlug naar huis. Ze luisterde even aan de deur: het was stil. Ze ging voorzichtig naar binnen, en daar stond de rabbijn, met haar kindje op de arm. Wat was er gebeurd? Onderweg naar de synagoge hoorde rabbi Mosje het kindje schreien. Hij ging naar binnen, speelde wat met het kindje en zong het iets voor, tot het weer insliep. Juist toen stond daar zijn mama.
Zo eindigt het verslag. Zonder commentaar. Het is aan ons om erover te mijmeren. Zeker had de rabbijn een heilige plicht, op dit belangrijke moment van het liturgisch jaar. Iedereen zat te wachten op de grote zegen van Kol nidree: alles is vergeven. Er was een spanning, een verlangen naar verlossing, een zekere dringendheid. De rabbijn moest daar zijn. Maar kun je als herder die vergeving uitspreken als je weet dat je daarnet een medemens in nood aan zijn lot hebt overgelaten? Dat vergeef je toch jezelf niet. Hoe kun je dan een zuiver kanaal zijn voor Gods vergeving? Zeker had de rabbijn een, wij zouden zeggen: sacramentele plicht. Maar liturgie en leven zijn één, zoals geloof en liefde één zijn. Er mag niets ‘tussen’ zitten. Daarom kreeg het schreiende kindje de voorrang zolang het nodig was. En daarna kon de rabbijn met een zuiver geweten de vergeving uitspreken in de naam van God, die geen van zijn mensen vergeet en die ieders schreien hoort.
Het doet denken aan de raad van Jezus: Als je je gave wil brengen naar het altaar maar je weet dat er iemand iets tegen je heeft, laat alles uit je handen vallen en doe wat je kunt om je te verzoenen. Ga daarna naar het altaar. Je kunt je oren niet sluiten voor God, en ook niet voor mensen, oud of jong.
P. Paul Delmé