Na enkele weken een zijsprong gemaakt te hebben naar het Johannes-evangelie zitten we nu terug bij Marcus. En de evangelist Marcus hakt er meteen in en eindigt zijn verhaal vandaag met niet te misverstane, harde woorden. “Uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid.”
Een hele waslijst van negatieve zaken die we in eerste instantie niet onmiddellijk vereenzelvigen met het hart van de mens. Als we het hebben over “het hart” dan linken we dat toch meestal met iets positiefs, met iets liefs of iets goeds. Mijn wenkbrauwen gingen dan ook enkele millimeters naar boven toen ik de laatste verzen van dit evangelieverhaal las.
Maar dan begint het. Wat wordt hier nu juist mee bedoeld? Waarom schrijft Marcus zulke zwaarwichtige dingen?
De discussie tussen Jezus en de Farizeeën begint eigenlijk over het feit dat enkelen aan het eten waren zonder hun handen te hebben gewassen. Voor de joden was en is dit heel belangrijk. Want dat staat zo in de Wet, in allerhande wetteksten en voorschriften die de Farizeeën aan het volk uitlegden. Maar is het perfect naleven van die Wet nu écht het allerbelangrijkste? Kom je door het nastreven van dit soort perfectionisme op een hoger schavotje terecht? Ben je dan belangrijker of beter dan iemands anders?
Nee, helemaal niet. En daarom trekt Jezus zo van leer tegen de Farizeeën en scheldt Hij hen uit voor huichelaars of schijnheiligen. Schijnheiligheid ontstaat vaak wanneer men te veel de nadruk legt op uiterlijke praktijken en te weinig op de gezindheid van het hart. Met “de lippen eren” wil Jezus zeggen dat de woorden die uitgesproken worden niet gedragen zijn door het innerlijke van iemand. Wat gezegd wordt, zou ook in het hart van de mens moeten wonen. En het Woord – met een hoofdletter – aanhoren alleen is niet voldoende, het moet vooral gedaan worden.
Jezus wil ons vandaag duidelijk maken dat een uiterlijke handeling, zoals handen wassen, geen invloed heeft op onze relatie met God. Het gaat over veel meer dan het louter onderhouden van wetten. Het komt er namelijk op aan om te komen tot een levenshouding waarbij men “van harte” handelt zoals God het wil. Want God reinigt de mens radicaler dan menselijke instellingen of wetten ooit zouden kunnen. Bovendien zit God al in ons hart vanaf onze geboorte. We dienen alleen Gods wil te ontdekken én er dan ook naar te handelen.
Vandaar dat Jezus die opsomming geeft van al die negatieve zaken. Deze slechte dingen bezoedelen wat God reeds in ons hart heeft geplant en is dus juist NIET hetgene wat we moeten doen. Het kwade wordt niet gemaakt door de mens, maar wil wel wonen in het mensenhart. Dat is vaak verleidelijk en sluit aan bij het menselijke ego.
We dienen ons dus de vraag te stellen: ben ik voldoende rein vanbinnen? Zit mijn fundamentele levenskeuze voor het goede ingenesteld in mijn hart? Als het antwoord op deze vraag JA is, dan kunnen en moeten we ook het goede DOEN voor onze naasten. Zo leven we naar de geest van de wet in plaats van naar de letter en maken we met z’n allen er hier een betere en vooral hartelijkere wereld van.
Gerry Bellekens, bruggenbouwer van onze Pastorale Eenheid Mozes