Lieve broers en zussen,
In deze heilige nacht, of op deze gezegende kerstdag, komen wij samen rond het mysterie dat het hart van ons geloof vormt: God wordt mens. Niet op een plek van macht of glorie, maar in de kwetsbaarheid van een kind, gelegd in een kribbe. Kerstmis is geen ontsnapping uit de werkelijkheid, maar Gods intrede in onze werkelijkheid. En precies daarom vieren wij dit feest in het jaar van de hoop. Het kerstverhaal begint in de nacht. Dat is geen toeval. De nacht staat symbool voor alles wat donker is in ons leven en in onze wereld: onzekerheid, oorlog en geweld, armoede, eenzaamheid, ziekte, relationele breuken, de angst voor de toekomst. Velen dragen vandaag vragen mee: Hoe moet het verder? Is er nog perspectief? Wie ziet mij nog staan? Juist daar, in die nacht, klinkt het woord van de engel: “Wees niet bang.” Dat is altijd het begin van hoop. Hoop ontkent de nacht niet, maar zij weigert te geloven dat de nacht het laatste woord heeft. God kiest ervoor om precies daar geboren te worden waar de hoop het meest broos is.
Onze hoop is geen idee, geen optimisme, geen project. Onze hoop heeft een gezicht: het gelaat van het Kind in de kribbe. In Jezus laat God zien wie Hij is: nabij, kwetsbaar, solidair. Hij komt niet om te overheersen, maar om te dragen. Niet om te veroordelen, maar om te redden.
Dit kind vertelt ons: Je hoeft jezelf niet groter voor te doen dan je bent. Je mag klein zijn. Je mag arm zijn. Je mag afhankelijk zijn. In een wereld die ons voortdurend zegt dat we sterk moeten zijn, succesvol en zelfredzaam, openbaart God zich als een kind dat niets bezit, behalve de liefde van zijn ouders. Dat is hoop: dat ons leven, precies zoals het is, door God wordt aanvaard en bemind.
De herders zijn de eersten die het goede nieuws ontvangen. Geen geleerden, geen machthebbers, maar mensen aan de rand. Zij leven buiten, in de kou, altijd waakzaam. Zij weten wat onzekerheid is. En toch zijn zij het die gaan, die zich laten raken, die op weg gaan naar Bethlehem.
Ook Maria en Jozef zijn mensen onderweg. Geen ideaal gezin, maar een jong koppel met vragen, angst en verantwoordelijkheid. Zij leren ons dat hoop niet betekent dat alles duidelijk is, maar dat je durft te vertrouwen stap voor stap.
In dit jaar van de hoop worden wij uitgenodigd onszelf te zien als pelgrims van hoop: mensen die niet alles weten, maar wel onderweg blijven; mensen die vallen en opstaan; mensen die zich laten leiden door een ster, ook al zien zij haar soms niet meer.
Kerstmis roept ons niet alleen op om te bewonderen, maar ook om te doen. Als God zo dichtbij komt, kunnen wij dan ver weg blijven van elkaar?
Hoop krijgt handen en voeten waar wij nabij zijn: waar wij luisteren naar wie geen stem meer heeft; waar wij tijd maken voor wie eenzaam is; waar wij vergeving schenken in vastgelopen relaties; waar wij mild zijn voor onszelf en voor elkaar. zoals God worden in Bethlehem – klein, beschikbaar, aanwezig. Soms is een stil bezoek, een eenvoudige boodschap, een gebed, of gewoon samen zwijgen al genoeg om hoop te laten oplichten. Misschien voelen sommigen vandaag weinig kerstvreugde. Misschien is het gemis groot, de pijn nog vers, de toekomst onzeker. Laat dit dan gezegd zijn: ook dat hoort hier thuis. De kribbe staat niet los van het kruis. Het kind dat geboren wordt, zal later wenen, lijden en sterven. En juist daarom kan Hij ons dragen.
Hoop is niet dat alles snel goed komt. Hoop is dat wij niet alleen zijn. “Ik ben met u, alle dagen.” Dat is de belofte van Kerstmis. Wanneer de herders terugkeren, zijn zij veranderd. De omstandigheden zijn dezelfde, maar hun hart is anders. Zij hebben gezien dat God trouw is. Zo worden ook wij gezonden: om in dit jaar van de hoop dragers van hoop te zijn. Niet luid, niet triomfantelijk, maar stil en trouw. Zoals een licht dat brandt in de nacht. Zoals een kind dat slaapt in een kribbe. Moge dit kerstfeest ons opnieuw leren vertrouwen. Moge het Kind ons hart openen. En moge God ons zegenen, zodat wij voor elkaar een teken worden van zijn hoopvolle nabijheid. Amen.