De startraket van deze zendingsbeweging ligt helemaal bij Jezus, bij wat in Hem en met Hem gebeurt. Of liever: bij was Hij in zich laat gebeuren. De drievoudige ellendige ervaringen van mensen raken Hem tot in zijn diepste punt. Alles in Hem wordt bewogen door wat zij meemaken: ze zijn afgemat, opgejaagd en zonder herder. In één woord Jezus heeft medelijden, het gevoel van God zelf tegenover het lijden van zijn mensen. Juist de beweging van dat medelijden in zijn persoon zet Hem in beweging. Het maakt Hem creatief. Nergens anders in zijn evangelie gebruikt Matteus het woord apostelen. Hier dus wel. Maar eerst vraagt Jezus aan zijn leerlingen arbeiders te vragen aan de Heer. Want de Heer is de eigenaar van die mensen, niet de groep leerlingen. Dit toont ook hoe Jezus naar de twaalf kijkt. Ze zijn Hem door de Vader gegeven om de oogsten. Jezus gaat hierbij nog een stap verder; Hij geeft hun al zijn gezag. Dat gezag bestaat uit twee elementen: Het woord en de daad. De twaalf apostelen mogen aan die mensen, die afgemat, opgejaagd en zonder herder zijn, meden dat het Koninkrijk der hemelen nabij is. En die woorden moeten daadwerkelijke realiteit worden in handelingen, gericht op de zieken, de doden, de melaatsen en de demonen. Voor de vier groepen moeten ze bevrijding brengen. Het zijn mooie, inspirerende woorden die Jezus gebruikt. We mogen ze gerust diep in ons geheugen prenten: genezen, opwekken, zuiveren en vrijmaken. Het valt op wat de focus is van hun zending: niet hun interne organisatie en structuren, niet hun materiële voorzieningen, zelfs niet de sacramenten, maar de vele lijdende mensen en hun lot. Voor hen mogen en moeten ze zo goed zijn als God zelf.