Tot driemaal toe wordt de maat om te vergeven wijd opgerekt. Petrus gaat met het getal zeven tot de menselijke limiet. Hij wil zeer genereus zijn en zo dicht bij Jezus gaan staan. Maar Jezus neemt de zeven wel over en bevestigt ze dus, maar brengt er een goddelijke maat bovenop. Het is wel ontroerend dat Hij aan de mensen de mogelijkheid en het vertrouwen geeft om heel ruimhartig te blijven vergeven, altijd weer, naar Gods maat. Maar dan komt de uitbreiding. Tienduizend talent komt namelijk overeen met 34 of zelfs 41 ton zilver. Daar moest men in die tijd meerdere honderden eeuwen voor werken. Maar de koning scheldt die schuld kwijt. Wat een enorm geschenk. In contrast is het dan ook heel schrijnend dat de man, die zo'n geschenk krijgt, zelfs niet in staat blijkt te zijn het kleine bedrag van honderd denarie (komt overeen met het loon voor honderd werkdagen) kwijt te schelden. Erger nog, hij wurgt de man bijna. Wurgen is van de adem afsnijden. Het Hebreeuwse woord voor adem is ruach, hetzelfde woord voor de Geest. De koning wordt toornig of kwaad. Het laat Jezus niet onverschillig of we elkaar wel of niet vergeven. Uiteindelijk roept Hij met grote aandrang om te vergeven en wel uit de grond van zijn hart. Met de parabel verlegt Jezus dus de pointe van de vraag 'hoeveel maal vergeven' naar overvloedig en van ganser harte vergeven.